Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AX8405
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzoek om herziening van de correctienota's. Er is geen sprake van nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden.
 
 
 

 

 
Uitspraak 05/1798 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft drs. M.C.J. van Ansenwoude-Buijck, als federatie-belastingadviseur verbonden aan LTB adviseurs en accountants B.V. te Haarlem, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 9 februari 2005, kenmerk 03-1915.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellante zijn nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 februari 2006, waar voor appellante zijn verschenen [vennoot], vennoot, en drs. Van Ansenwoude-Buijck. Gedaagde heeft zich met voorafgaand bericht niet doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 19 oktober 1999 heeft gedaagde de bezwaren die namens appellante zijn gemaakt tegen aan haar over de jaren 1994 tot en met 1998 tot een bedrag van € 162.080,07 opgelegde correctienota’s ongegrond verklaard. Bij een uitspraak van 31 maart 2000 heeft de rechtbank het beroep tegen dit besluit met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard. Het verzet tegen deze uitspraak is ongegrond verklaard. De Raad heeft het hoger beroep tegen laatstgenoemde uitspraak bij zijn uitspraak van 2 september 2004 niet-ontvankelijk verklaard en heeft nadien het verzet tegen die uitspraak ongegrond verklaard.

Bij brief van 14 januari 2003 heeft appellante verzocht het besluit van 19 oktober 1999 te herzien in die zin dat de opgelegde premienota’s worden verminderd tot een bedrag van € 10.430,00. Daarbij heeft zij gewezen op het feit dat op 28 maart 2002 met de Belastingdienst een compromis is bereikt, als gevolg waarvan de vordering van de Belastingdienst is verlaagd. In de brief van 31 maart 2003, waarin appellante het verzoek om herziening nader heeft toegelicht, is onder meer gesteld dat aan appellante in het kader van de procedure tegen de correctienota’s essentiële stukken zijn onthouden, waaronder het observatierapport dat behoort bij het proces-verbaal van 25 maart 1999. Bij besluit van 23 juni 2003 heeft gedaagde het verzoek om herziening afgewezen op de grond dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die bij de eerdere besluitvorming niet betrokken zijn geweest en evenmin destijds als grief naar voren hadden kunnen worden gebracht dan wel de evidente onjuistheid van het besluit aantonen. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 17 oktober 2003 onder toepassing van artikel 4:6 van de Awb ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft gedaagde in dit standpunt gevolgd en het beroep tegen het besluit van 17 oktober 2003 ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Raad heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de evidente onjuistheid van het oorspronkelijke besluit op zichzelf geen beslissende rol meer speelt bij de vraag of het verzoek om herziening terecht is afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door appellante naar voren gebrachte omstandigheden niet worden aangemerkt als een novum als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

Appellante heeft zich in beroep gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Zij houdt staande dat het verzoek om herziening had moeten worden gehonoreerd omdat sprake is van nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit. Zoals door de rechtbank met juistheid is overwogen, speelt bij de beoordeling van die afwijzing geen beslissende rol meer of het oorspronkelijke besluit evident onjuist is. De Raad verwijst daarbij naar zijn uitspraak van 4 december 2003, LJN AN9805.

De Raad is met de rechtbank en gedaagde van oordeel dat de omstandigheden welke appellante in het kader van haar verzoek om herziening heeft aangevoerd, betreffende het niet in het geding brengen van stukken in de eerdere procedure, het gebruik maken van stukken uit het strafrechtelijk onderzoek en de wijze waarop bij de eerdere besluitvorming gebruik is gemaakt van het observatierapport, niet zijn aan te merken als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin. Het betreft hier immers grieven welke betrekking hebben op de rechtmatigheid van de oorspronkelijk genomen besluiten en op omstandigheden welke eerder bekend waren dan wel konden zijn en naar voren hadden kunnen worden gebracht in de bezwaar- en beroepsprocedure naar aanleiding van de indertijd opgelegde correctienota’s.
De omstandigheid dat appellante en de Belastingdienst blijkens de vaststellingsovereenkomst van 28 maart 2002 een compromis hebben bereikt over de omvang van de naheffingen over de in het geding zijnde jaren, kan weliswaar worden beschouwd als een nieuwe ontwikkeling, maar daarbij gaat het niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Daartoe overweegt de Raad dat het bereikte compromis op geen enkele wijze afbreuk kan doen aan de grondslag van het besluit van 19 oktober 1999, in de eerste plaats omdat niet blijkt dat het compromis berust op een standpuntwijziging van de Belastingdienst en voorts omdat, zo dit wel het geval geweest zou zijn, gedaagde daaraan niet is gebonden.

Gezien het voorgaande komt de Raad evenals de rechtbank tot het oordeel dat gedaagde bevoegd was om het verzoek om herziening met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb af te wijzen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een regel van (on)geschreven recht dan wel enig algemeen rechtsbeginsel.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. B.J. van der Net en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x