Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AX8724
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering om terug te komen van reeds onherroepelijk geworden premiebesluiten en om de betaalde premies gedeeltelijk te restitueren.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/2855 CSV




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 14 april 2004, reg.nr. 03/985, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 1 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J. de Haan, werkzaam bij KPMG Meijerburg & Co, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door P.R.H. Min, werkzaam bij het Uwv. Betrokkene is verschenen bij haar gemachtigde mr. J. de Haan, voornoemd.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang.

Appellant heeft ter terechtzitting zijn hoger beroep beperkt tot het oordeel van de rechtbank betreffende het besluit van 1 juli 2003 waarmee appellant onder handhaving van het besluit van 16 januari 2003 het bezwaar ongegrond heeft verklaard en heeft volhard in de weigering om de afrekeningsnota’s over de jaren 1999 en 2000 te herzien.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant op goede gronden heeft geweigerd om terug te komen van de reeds onherroepelijk geworden premiebesluiten over de jaren 1999 en 2000 en om de over die jaren betaalde premies gedeeltelijk te restitueren.

Appellant heeft dienaangaande aangevoerd dat in het onderhavige geval geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden en dat dergelijke nova niet gelegen kunnen zijn volgens vaste jurisprudentie van de Raad in gewijzigde jurisprudentie op grond waarvan blijkt dat in het verleden genomen rechts onaantastbare besluiten berusten op een onjuiste uitleg.

Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de regeling van artikel 11, vierde lid, van de CSV, bezien in samenhang met artikel 13, derde lid, van de CSV een lex specialis vormt ten opzichte van de regeling van artikel 4:6 van de Awb. Jurisprudentie, waaronder die van de Centrale Raad van Beroep met betrekking tot artikel 4:6 van de Awb is voor het onderhavige geval dan ook zonder betekenis. Artikel 11 en artikel 13 van de CSV stellen in het geheel niet de eis van het “nieuwe feit”.

Naar aanleiding van hetgeen partijen dienaangaande over en weer hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 28 juli 2005, gepubliceerd in RSV 2005/256 en USZ 2005/341, stelt de Raad vast dat betrokkene met haar hierboven vermelde stelling miskent, dat in het kader van artikel 11, vierde lid, van de CSV - evenals bij artikel 4:6 van de Awb - nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden gesteld dienen te worden. De door betrokkene verdedigde opvatting verdraagt zich tevens niet met de ook voor de premienota’s geldende bezwaar- en beroepstermijn van zes weken en kan derhalve niet voor juist worden gehouden.

Meer in het algemeen merkt de Raad hierbij op dat de artikelen 11, vierde lid en 13, derde lid, van de CSV geen zelfstandige betekenis hebben.
De Raad is met appellant van oordeel dat in deze bepalingen slechts is vastgelegd wat de rechtsgevolgen zijn van een besluit van appellant waaruit volgt dat een werkgever meer aan premies heeft betaald dan dat verschuldigd is. Of daadwerkelijk premies onverschuldigd zijn betaald kan derhalve niet blijken uit hetgeen een werkgever daaromtrent stelt, maar uit een (herzien) besluit van appellant, indien de werkgever daarom verzoekt. Daarbij dienen dan nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden gesteld te worden. De door betrokkene genoemde uitspraak van de Raad van 31 mei 2001 kan niet worden aangemerkt als een zodanig nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

Reeds omdat er naar het oordeel van de Raad geen sprake is van nieuw gebleken feiten kan naar het oordeel van de Raad tevens niet staande worden gehouden dat appellant niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Uit het vorengaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor zover hier in geding voor vernietiging in aanmerking komt en dat het inleiden beroep dienaangaande alsnog ongegrond dient te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbende op de herzieningsverzoeken;
Verklaart het beroep in zoverre ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x