Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AX8784
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoofdelijke aansprakelijkheid voor de premies voor ingeleende werknemers.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/6558 CSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij beroepschrift van 1 december 2004 heeft mr. J. Witvoet, advocaat te De Bilt, als gemachtigde van appellante op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Dordrecht op 29 oktober 2004, nummer 03/1036, tussen partijen gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 december 2005, waar namens appellante is verschenen C. Schot, bijgestaan door voormelde gemachtigde, en waar namens gedaagde is verschenen mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 13 oktober 2003 heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 december 2002, waarbij appellante op grond van artikel 16a van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de premies, verschuldigd over de jaren 2000 en 2001 door [naam uitlener] (hierna: de uitlener) betreffende de in die jaren door appellante ingeleende werknemers.

Bij de in rubriek I vermelde uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen voormeld besluit van 13 oktober 2003 ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Haar voornaamste grieven zijn dat voor haar geen aanleiding bestond om eraan te twijfelen dat de uitlener haar verplichtingen jegens gedaagde behoorlijk nakwam, de rechtbank zonder motivering voorbij gegaan is aan haar grief dat gedaagde de bestuurders en leidinggevenden van de uitlener aansprakelijk had moeten stellen, het door haar op de G-rekening van de uitlener gestorte bedrag integraal in mindering moet worden gebracht op het bedrag van de aansprakelijkstelling en dat het bedrag van de aansprakelijkstelling dient te worden gematigd.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het op de weg van appellante had geleden om te onderzoeken of de G-rekening, waarop appellante heeft gestort, aan de daaraan te stellen eisen voldeed. Met verwijzing naar zijn uitspraak van 8 december 2005, LJN AU8257, overweegt de Raad voorts dat geen sprake is geweest van vrijwarende betalingen, omdat appellante heeft gestort op een G-rekening van de uitlener die bestemd is voor betalingen in verband met aanneming van werk.

De Raad is voorts van oordeel dat de door gedaagde aan de uitlener verstrekte verklaring omtrent haar betalingsgedrag van 30 januari 2001 niet aan de aansprakelijkstelling van appellante in de weg staat. Ten tijde van de afgifte van de verklaring was bij gedaagde immers nog niet bekend dat sprake was van ernstig tekortschieten van de zijde van de uitlener in de verantwoording van de door haar betaalde lonen.

Gedaagde heeft de grief betreffende aansprakelijkstelling van de bestuurders van de uitlener gemotiveerd weersproken. Nu niet is gebleken dat gedaagde tekort geschoten is in het kader van de aansprakelijkstelling ingevolge artikel 16d van de CSV, volgt de Raad appellante niet in de daarop betrekking hebbende grief.

De Raad ziet tot slot geen aanleiding appellante te volgen in haar standpunt dat gedaagde aanleiding had moeten zien het bedrag van de aansprakelijkstelling te matigen. Het in dit verband door appellante aangehaalde tijdsverloop vormt daartoe naar de Raad volstrekt geen aanleiding. Evenmin kan naar het oordeel van de Raad worden gesteld dat gedaagde bij de vaststelling van het bedrag van de aansprakelijkstelling onredelijke uitgangspunten heeft gehanteerd. Appellante heeft bovendien geen nadere onderbouwing kunnen geven voor haar stelling, nu zij niet heeft voldaan aan haar verplichting ingevolge artikel 16a, achtste lid, van de CSV tot het voeren van een administratie aan de hand waarvan het door de (ingeleende) werknemers genoten loon kan worden vastgesteld.

Gezien het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2006.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x