Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AX8880
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoofdelijke aansprakelijkheid voor een deel van de door een vennootschap verschuldigde, doch niet betaalde premies. Vrijwarende betalingen. G-rekening.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/3638 CSV




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 4 mei 2005, 03/733 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[betrokkene] te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 24 mei 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2006. Voor appellant is verschenen mr. M.J. Lustenhouwer, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Voor betrokkene is verschenen [vertegenwoordiger betrokkene].




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Co÷rdinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang.

Betrokkene is bij besluit van 30 december 2002 op grond van artikel 16a van de CSV hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor een deel van de door een vennootschap verschuldigde, doch niet betaalde premies, welk deel betrekking heeft op werknemers die betrokkene in 1999 heeft ingeleend van deze vennootschap. Dit besluit heeft appellant gehandhaafd bij besluit van 9 april 2003. Daarbij heeft appellant, ingaande op de stelling van betrokkene dat hij een deel van het bedrag dat hij verschuldigd was aan de vennootschap, heeft gestort op een geblokkeerde rekening (G-rekening), onder meer overwogen dat vrijwaring van de aansprakelijkheid voor de premie van ingeleende werknemers na de inwerkingtreding van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs per 1 juli 1998 uitsluitend wordt verkregen door storting van een deel van het factuurbedrag op een G-rekening, die specifiek bedoeld is voor inlening. Betrokkene heeft gestort op een G-rekening van de vennootschap, welke rekening bedoeld is voor aanneming van werk.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank gelet op de regelgeving, waaronder de Uitvoeringsregeling inlenersaansprakelijkheid van 17 juni 1998 (Stcrt. 113), overwogen dat een G-rekening ex artikel 16a van de CSV moet worden onderscheiden van de G-rekening ex artikel 16b van de CSV. Hiervoor heeft de rechtbank steun gevonden in de toelichting bij evengenoemde regeling waarin is opgemerkt dat enerzijds wordt aangesloten bij de systematiek ex artikel 16b van de CSV, doch anderzijds een afzonderlijke regeling noodzakelijk is in verband met de verschillen tussen beide stelsels (omzetbelasting en doorstorting). In aanmerking nemende dat in de toelichting van de regeling is opgemerkt dat deze regeling in de toekomst zal worden uitgebreid met het stelsel ex artikel 16b van de CSV, welke uitbreiding inmiddels vorm heeft gekregen in de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004 van 15 december 2003 (Stcrt. 249) heeft de rechtbank het onbegrijpelijk geacht dat appellant geen gelden heeft ontvangen, terwijl wel gelden ten behoeve van hem op de G-rekening van de vennootschap zijn gestort. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van appellant gelegen zich eerst tot de ontvanger te richten dan wel inzicht te verschaffen in de redenen waarom geen gelden aan hem zijn toegekomen. Door zulks niet te doen berust het besluit van 9 april 2003 naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval niet op een voldoende draagkrachtige motivering.

Met het oog op een nieuw te nemen besluit door appellant heeft de rechtbank tevens opgemerkt dat de systematiek van G-rekeningen, zoals die al sinds lange tijd bestaat, nooit een andere bedoeling heeft gehad dan de zekerstelling van belasting en premies. Zeker ten tijde in geding voorzag de regeling in een bevoegdheid en wederzijdse zorg voor zowel de ontvanger als appellant dat gelden (naar rato) op de plaats van bestemming komen. De G-rekeningen ex artikel 16a respectievelijk 16b van de CSV hadden in die zin geen te onderscheiden functies. Dat dit zo is blijkt uit de inmiddels in werking getreden Regeling 2004, waarin nog slechts sprake is van ÚÚn G-rekening. Naar het oordeel van de rechtbank mag appellant aan dit gegeven niet zonder meer voorbijgaan en dient hij in zijn besluitvorming nadrukkelijk het gegeven te betrekken dat betrokkene aanmerkelijk meer op de G-rekening heeft gestort dan waarvoor hij thans wordt aangesproken.

Appellant kan zich hiermee niet verenigen. Daartoe heeft hij betoogd dat er naar zijn mening geen grond is om te anticiperen op de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004. Bij gebreke van specifieke voorschriften van overgangsrecht in deze regeling, dient naar de mening van appellant de aansprakelijkstelling van betrokkene te worden beoordeeld naar de regelgeving, zoals die van kracht was gedurende het tijdvak waarop de aansprakelijkstelling ziet. Dit betekent dat er geen sprake is geweest van vrijwarende betalingen, nu betrokkene betalingen heeft verricht op een G-rekening die bestemd is voor aanneming van werk. Dit betekent tevens dat de door betrokkene verrichte betalingen slechts in de aansprakelijkstelling kunnen worden betrokken voorzover die betaling daadwerkelijk door appellant zijn ontvangen. De regelgeving in 1999 bood geen plaats voor de opvatting dat appellant had moeten onderzoeken waarom er geen bedragen zijn ontvangen. Het was aan betrokkene om er op toe te zien dat de vennootschap de door haar ontvangen betalingen op de G-rekening ook aan appellant afdroeg.

De Raad verenigt zich met dit betoog. De Raad acht geen rechtsgrond aanwezig om bij de aansprakelijkstelling van betrokkene, welke aansprakelijkstelling ziet op niet betaalde premies over 1999 en welke aansprakelijkstelling is gehandhaafd bij besluit van 9 april 2003, te betrekken de met ingang van 1 januari 2004 in werking getreden Uitvoeringsregeling inleners-, keten en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004. Dit betekent dat er geen sprake is geweest van vrijwarende betalingen, nu gelden zijn gestort op een G-rekening bestemd voor aanneming van werk, van welke rekening de vennootschap gelden kon overmaken naar andere G-rekeningen. Kenmerkend voor een G-rekening voor inlening was het verbod op doorstorting, vervat in artikel 7 van de Uitvoeringsregeling inlenersaansprakelijkheid. Het had op de weg van betrokkene gelegen om te onderzoeken of de G-rekening waarop hij heeft gestort aan de daaraan gestelde vereisten voldeed.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad tot slot geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x