Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AY3786
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-06-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het beroep wordt alsnog ongegrond verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/6754 CSV




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2005, 04/5798 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[belanghebbende] (hierna: belanghebbende)

en

appellant.

Datum uitspraak: 29 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Van de zijde van belanghebbende is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. Bakker.




II. OVERWEGINGEN


Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

In februari 2003 is over de jaren 1997 tot en met 2002 een looncontrole gehouden bij belanghebbende betreffende een viertal filialen met aansluitidentificaties 025-132.457.49-01-01 tot en met -04.01, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 24 november 2003. Met een begeleidende brief van 8 december 2003 is een afschrift van dit rapport aan belanghebbende gezonden, waarbij ook is vermeld dat belanghebbende binnenkort correctienota’s ontvangt overeenkomstig de door de looninspecteur geconstateerde verschillen. Bij brief van 12 december 2003 is vanwege appellant aan belanghebbende een bevestiging gezonden van de wijziging van het vestigingsadres en het correspondentieadres van belanghebbende voor de vier genoemde filialen, waarbij als correspondentieadres is vermeld postbus 505, 1000 AM Amsterdam.

Naar aanleiding van de looncontrole zijn diverse correctienota’s betreffende voormelde aansluitnummers verzonden aan belanghebbende. Met betrekking tot het aansluitnummer 025-132.457.49-01-01 heeft appellant een op 22 december 2003 gedateerde correctienota aan belanghebbende opgelegd over het jaar 2002. Belanghebbende heeft bij brief van 29 december 2003 aan appellant verzocht om verlenging van de termijn om te reageren op de brief van 18 december 2003, inhoudende het voornemen om een boete op te leggen inzake dit aansluitnummer. Bij brief van 9 januari 2004 heeft appellant dit verzoek afgewezen op de grond dat over de jaren 1998 tot en met 2002 inmiddels correctienota’s zijn opgelegd en het verjaringsjaar 1998 in het geding is. Bij brief van 17 februari 2004 heeft betrokkene bezwaar gemaakt tegen de nota van 22 december 2003. Appellant heeft bij besluit van 14 oktober 2004 het bezwaar tegen de correctienota over 2002 niet-ontvankelijk verklaard in verband met overschrijding van de termijn, het bezwaar tegen de boetenota’s over 1997 tot en met 2001 ongegrond verklaard, en het bezwaar tegen de boetenota over 2002 deels gegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling betreffende de vergoeding van griffierecht - het beroep van belanghebbende tegen het besluit van 14 oktober 2004 gegrond verklaard, voorzover dit is gericht tegen de correctie- en boetenota van het jaar 2002, het besluit in zoverre vernietigd, het beroep voor het overige ongegrond verklaard en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelde vast dat het bezwaarschrift tegen de correctienota over 2002 niet binnen de termijn van zes weken is ingediend maar dat, nu bij de verzending van die nota weliswaar het juiste postbusnummer en postcode zijn vermeld, maar daarbij de verkeerde interne afdeling van betrokkene, de verkeerde interne postcode en de verkeerde contactpersoon zijn vermeld, redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende met haar bezwaarschrift van 17 februari 2004 in verzuim is geweest. Gezien deze onzorgvuldigheid kan belanghebbende volgens de rechtbank niet worden verweten dat zij niet heeft zorggedragen voor tijdige interne doorzending naar het juiste en aan appellant bekende adres.

In hoger beroep heeft appellant deze uitspraak gemotiveerd bestreden, behoudens voorzover daarbij het beroep ongegrond is verklaard. Appellant is van mening dat het besluit van 22 december 2003 op de juiste wijze bekend is gemaakt, waartoe vermelding van het juiste correspondentieadres volstaat. Dat de bij wijze van service aan belanghebbende vermelde interne adressering er kennelijk toe heeft geleid dat het besluit niet tijdig bij de juiste afdeling of persoon is terechtgekomen dient volgens appellant geheel voor rekening en risico van belanghebbende te komen.

De Raad overweegt het volgende.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de correctienota van 22 december 2003 door toezending aan belanghebbende onder vermelding van het in de brief van 12 december 2003 vermelde correspondentieadres in overeenstemming met artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bekendgemaakt. Belanghebbende betwist ook niet dat de nota op dit adres - in dit geval in de postbus van belanghebbende - is aangekomen. De omstandigheid dat appellant in afwijking van afspraken welke zouden zijn gemaakt over de vermelding van bepaalde interne gegevens andere en bovendien onjuiste gegevens aan de adressering van de nota heeft toegevoegd, waardoor de nota na ontvangst niet bij de juiste afdeling terecht is gekomen, maakt dit niet anders.

Het voorgaande brengt mee dat de termijn van zes weken voor het indienen van een bezwaarschrift is gaan lopen op 23 december 2003 en dat die termijn met de indiening van het op 17 februari 2004 gedateerde en op 18 februari 2004 ingekomen bezwaarschrift is overschreden. Hierbij tekent de Raad aan dat ook naar zijn oordeel de brief van belanghebbende van 29 december 2003 betreffende de verlenging van de termijn voor het geven van een reactie op het voornemen een boete op te leggen niet als een bezwaarschrift tegen de correctienota kan worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijk verklaring ten aanzien van een buiten de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift dat na afloop van de termijn is ingediend achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat de nota door de toevoeging van foutieve gegevens aan het adres de behandelende afdeling fiscale zaken eerst op 16 februari 2004 heeft bereikt. De Raad constateert echter dat appellant bij de hiervoor vermelde brief van 9 januari 2004, welke is verzonden aan belanghebbende onder vermelding van de volgens appellant correcte gegevens en waarvan de ontvangst niet is betwist, heeft meegedeeld dat de correctienota’s over de jaren 1998 tot en met 2002 inmiddels zijn opgelegd. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat reeds in december 2003 het opleggen van boeten was aangekondigd, staat voor de Raad genoegzaam vast dat belanghebbende in elk geval geruime tijd voor het verstrijken van de bezwaartermijn ervan op de hoogte was dat over 2002 een correctienota was opgelegd conform de bevindingen bij de looncontrole en tijdig een - eventueel voorlopig - bezwaarschrift had kunnen indienen. In verband met het voorgaande ziet de Raad in de gestelde vertraging van ruim zes weken in de interne postbezorging, wat hiervan ook zij, geen grond voor het oordeel dat belanghebbende met de te late indiening van zijn bezwaarschrift redelijkerwijs niet in verzuim is geweest. Nu hiervoor ook anderszins geen aanknopingspunten zijn te vinden, diende het bezwaar niet ontvankelijk te worden verklaard.

Met dit oordeel is tevens gegeven dat de rechtbank het beroep tegen de boetenota over 2002 ten onrechte om die reden gegrond heeft geacht. De Raad is van oordeel dat de rechtbank het beroep van belanghebbende wat betreft die boetenota ongegrond had moeten verklaren op dezelfde gronden die wat betreft de boeten over de jaren 1997 tot en met 2001 in de aangevallen uitspraak zijn gebezigd. Gezien het voorgaande zal de Raad - met vernietiging van de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten - het beroep van belanghebbende in zoverre ongegrond verklaren.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep in zoverre ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2006.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x