Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AY4186
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Er is geen reden om de overschrijding van de wettelijke beroepstermijn, welke van openbare orde is, alsnog verschoonbaar te achten.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/4877 CSV en 05/4878 CSV




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 31 mei 2005 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. T.E. Hillert, bedrijfsjuriste bij De Jong Koster accountants en belastingadviseurs te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting vond plaats op 22 juni 2006. Partijen zijn vanwege de Raad opgeroepen. Appellante heeft zich doen vertegenwoordigen door [naam directeur], directeur, bijgestaan door mr. drs. S.M.C. Nuyten, advocaat te Amsterdam en mr. drs. M.C.J. van Ansenwoude Buijck, belastingadviseur. Het Uwv is verschenen bij gemachtigde mr. M.J. Lustenhouwer.




II. OVERWEGINGEN


In dit geding is allereerst de vraag aan de orde of appellante tijdig een hoger beroepschrift aan de Raad heeft doen toekomen en in haar hoger beroep ontvankelijk kan worden verklaard.

De Raad stelt als feiten op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank is verzonden op 14 juni 2005 en dat de wettelijke beroepstermijn op 26 juli 2005 afliep. Uit een op 29 juli 2005 geadresseerde en ingekomen brief bij de Raad namens appellante blijkt dat een op 22 juli 2005 verstuurd verweerschrift in een inmiddels afgewikkelde nevenprocedure (door intrekking van het hoger beroep daarin door het Uwv) tevens als hoger beroepschrift in het onderhavige geschil dient te gelden. De argumenten voor dit laatste zijn gegeven bij brief van
16 september 2005.

De Raad overweegt te dien aanzien het volgende.

Uit de aard en strekking van het verweerschrift van 22 juli 2005 met als opening “VERWEER”, zich inhoudelijk bij uitstek toespitsend op het “geschil omtrent de interpretatie van het begrip bedienend personeel” en tot de vordering komend dat het “hoger beroep van het Uwv ongegrond” is te verklaren en de aangevallen “uitspraak dus niet te vernietigen” is valt door de logische samenhang van de elementen in onderling verband slechts af te leiden dat het hier een verweerschrift ter zake van een beperkt onderwerp in een inmiddels afgedane zaak betreft, waartegen het hoger beroep door het Uwv in het licht van gevestigde jurisprudentie is ingetrokken. Aan een zin in evenbedoelde brief waarop door appellante in haar betoog een beroep is gedaan als zou de aangevallen uitspraak ook bij haar reeds toen ter toets staan kan niet die betekenis worden gehecht welke zij hieraan gehecht wenst te zien, omdat deze door de daarbij weggelaten verwijzing naar “de volgende redenen” in het totaal verband van de brief moet worden gelezen, waaruit in genen dele van andere het geschil uitbreidende onderwerpen blijkt.

Voor de oprekking van dit geschrift tot een beroepschrift tegen dezelfde aangevallen uitspraak met als oogmerk die uitspraak ter zake van een ander onderwerp bestaande in de totstandkoming van geschatte correctienota’s alsnog te vernietigen ziet de Raad - mede in aanmerking genomen dat dit door een professionele deskundige bij een belastingadviesbureau is opgesteld, voor risico en verantwoordelijkheid van appellante zelf - geen gerede objectieve aanknopingspunten voorhanden. Eerst de brief van 29 juli 2005, die laatstbedoeld geschrift beoogt een ruimere strekking dan hierin weergegeven te geven, en de inhoudelijke beargumentering hiervan bij brief van 16 september 2005 zijn ruim buiten de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven beroepstermijn opgesteld en ingediend. Bezwaarlijke persoonlijke en organisatorische omstandigheden, zoals ziekte van één van de firmanten en communicatieproblemen met, respectievelijk een verkeerde aanpak van de ingeschakelde deskundige in het geschrift van 22 juli 2005, waarop ter zitting nader een beroep is gedaan, ziet de Raad, hoe betreurenswaardig uiteraard ook, niet als redelijkerwijs toewijsbare verontschuldigingsgronden als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb om overschrijding van de wettelijke beroepstermijn, welke van openbare orde is, alsnog verschoonbaar te achten.

Op grond van het vorenstaande beantwoordt de Raad de in de eerste zin van deze rubriek gestelde vraag in ontkennende zin en dient appellante dan ook in haar hoger beroep niet ontvankelijk te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten acht de Raad geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2006.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) C.M.T. Kruls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x