Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AY4279
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is betrokkene terecht als feitelijk beleidsbepaler hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven sociale werknemersverzekeringspremies?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/6080 CSV




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 augustus 2005, 05/215 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant is mr. W.M. van den Pol, advocaat te Gorinchem, in hoger beroep gekomen van de aangevallen uitspraak.

Namens het Uwv is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2006. Partijen, daartoe ambtshalve opgeroepen, zijn beide verschenen. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. W.M. van den Pol. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang.

De aangevallen uitspraak heeft betrekking op het besluit van het Uwv van 7 december 2004. Daarbij is gehandhaafd een beslissing van 3 juni 2002 waarbij appellant als feitelijk beleidsbepaler als ware hij bestuurder op grond van artikel 16d van de CSV hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de door [naam NV] (hierna: [naam NV]) over de jaren 1996 en 1997 onbetaald gebleven sociale werknemersverzekeringspremies. Dit bedrag is nader bepaald op in totaal € 1.609.000,-

De namens appellant ingediende grieven in eerste aanleg en in hoger beroep zijn ingegeven door de opvatting dat hij, anders dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft aangenomen, niet als feitelijk beleidsbepaler in de zin van de CSV is opgetreden doch slechts als planner/ intercedent, die voor [naam NV] personeel uitzette bij opdrachtgevers en bij laatstbedoelden werkopdrachten binnenhaalde. Dit productief voor het bedrijf bezig zijn deed hij in loondienst tegen een vast salaris onder concreet gezag van de heren [J.], [K.] en [V.d.N.]. In zijn hoedanigheid kreeg hij aanwijzingen over het beleid, ging hij niet over de financiën, inzonderheid de te hanteren prijzen voor mankracht en kilometers.

De Raad overweegt te dien aanzien op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dat naar zijn oordeel het Uwv niet erin geslaagd is voldoende aannemelijk te maken dat appellant zich daadwerkelijk zodanig als bestuurder van [naam NV] heeft gedragen, dat het feitelijk beleidsbepalerschap in de zin van artikel 16d, zesde lid, CSV op hem van toepassing kan worden geacht (gewezen wordt onder meer op de uitspraak van de Raad van 4 oktober 2001, 99/719 en 722 CSV, USZ 2001,297). De spilpositie die appellant als planner kennelijk bekleedde in de praktijk van het werk om te zorgen voor het doorgaan van werkopdrachten voor [naam NV] gevoegd bij het uitzetten van de nodige uitzendkrachten om het verlangde werk bij derden te verrichten bieden ook in het licht van vaste jurisprudentie van deze Raad onvoldoende steun aan de juistheid van het standpunt dat appellant metterdaad als ware hij bestuurder werkzaam is geweest. Op grond van de afgelegde verklaringen was appellant weliswaar telefonisch aanspreekpunt bij [naam NV] doch lagen de eigenlijke sturende beleids- en financiële bevoegdheden veeleer in handen van [J.], [K.] en [V.d.N.], waarbij appellant in de rangorde volgend en uitvoerend moest handelen en als zodanig een uiteindelijk onder gezag staande positie, hoe belangrijk overigens ook, tegen een bescheiden salaris innam. Appellant hield zich trouwens ter onderstreping van zijn afgepaalde positie evenmin bezig met de loonadministratie dan wel het uitbetalen van salarissen aan mankracht voor [naam NV], miste de financiële volmachten van een procuratiehouder en onderhield dan ook evenmin externe contacten ter zake van bedrijfsovernames, aandelentransacties, de bank, de accountant en de fiscus. Tevens miste hij algemeen personeel aanstellende/ontslaande bevoegdheden. Slechts incidenteel had hij hier bemoeienis mee en tekende hij uitgaande brieven.

Het verweer van het Uwv ter zitting als zou met een ruimer te trekken afgrenzing van het feitelijk beleidsbepalerschap ongewenste organisatorische constructies, waaraan hier ook appellant geruime tijd heeft meegewerkt, voorkomen dienen te worden, doet wat daarvan overigens zij, naar het oordeel van de Raad geen voldoende recht wedervaren aan een reguliere en zuivere begrenzing van evenbedoeld wetsbegrip en de daaraan vanwege het bestuursorgaan te relateren bewijslast aan de hand van specifieke feiten en omstandigheden van het voorliggende te onderscheiden geval van appellant. Het aannemen van feitelijk beleidsbepalerschap uitsluitend of vooral omdat appellant door het vervullen van zijn productiegerichte functie een indirecte bijdrage heeft geleverd aan een door onttrekking aan premieheffing laakbaar geconstrueerde bedrijfsvoering mist volgens de Raad de vereiste concludente onderbouwing.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en dat het beroep alsnog gegrond moet worden verklaard.

De Raad acht tot slot termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
Deze worden begroot op € 644,- in beroep en op € 644,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand, en op € 183,84 wegens gemaakte reis- en verlet kosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Veroordeelt het Uwv in de reis- en verletkosten van appellant tot een bedrag van € 183,84, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen aan appellant de griffierechten ten bedrage van € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en P.J. Stolk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2006.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) C.M.T. Kruls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x