Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AY6422
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in eerste aanleg wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/5283 CSV




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 juli 2005, 04/1926 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. C. Ribbens, werkzaam bij MCCR belastingadviseurs te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 05/5282 ALGEM, plaatsgevonden op 1 juni 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ribbens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.C. Buist en mr. R.P. Bourne, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In het geding met reg.nr. 05/5282 ALGEM wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. OVERWEGINGEN


Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de rechtbank bij de aangevallen uitspraak terecht het beroep van appellante tegen het besluit van 10 februari 2004, waarbij de haar opgelegde boete van € 6.098,-- na bezwaar is gehandhaafd, niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hierbij heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante bij het instellen van beroep de ingevolge de artikelen 6:7, 6:8 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gestelde termijn voor het indienen van een beroepschrift niet in acht heeft genomen, en dat niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante in verzuim is geweest.

Niet in geding is dat het namens appellante ingediende beroepschrift, gedateerd 6 juli 2002, niet binnen de in artikel 6:7 van de Awb gegeven termijn van zes weken is ingediend. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat hetgeen appellante hieromtrent heeft aangevoerd, geen verschoonbare reden voor termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb vormt. De Raad kan zich met hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak ter zake heeft overwogen geheel verenigen. Hetgeen namens appellante in hoger beroep nog is aangevoerd brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Het vorenstaande brengt mee dat wat namens appellante ten gronde is aangevoerd geen verdere bespreking behoeft.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x