Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 


vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AY6682
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De betreffende nota is niet gericht op zelfstandige rechtsgevolgen en is derhalve geen (appellabel) besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Bepalingen van openbare orde. Het bezwaar wordt alsnog niet-ontvankelijk verklaard.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/3788 CSV en 05/4054 CSV




U I T S P R A A K




op de hoger beroepen van:

1. de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
2. [belanghebbende], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 mei 2005, 04/1809 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

belanghebbende

en

appellant.

Datum uitspraak: 3 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant en belanghebbende hebben hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 2 februari 2006, waar voor belanghebbende is verschenen mr. E.L.M. van der Sande, werkzaam bij Arenthals Grant Thornton Accountants en Adviseurs B.V. te Rijswijk, A. Babadag en M. Karadogan, respectievelijk administratief medewerkster en directeur van belanghebbende, en waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door C. Groenewegen, werkzaam bij het Uwv.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Naar aanleiding van een bij belanghebbende in februari 2000 gehouden looncontrole, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 10 maart 2000, heeft appellant op 29 maart 2000 een correctienota over het jaar 1998 opgelegd. Op basis van een schatting van bij belanghebbende gewerkte uren heeft gedaagde vastgesteld dat belanghebbende niet alle aan de werknemers verstrekte vergoedingen heeft verantwoord in de loonadministratie. Hetzelfde gold ten aanzien van het (niet uitbetaalde) recht op vakantiegeld van de in 1998 uit dienst getreden werknemers. Belanghebbende had voorts met betrekking tot de feestdagenuitkeringen niet voldaan aan haar administratieve verplichtingen, zodat deze uitkeringen door appellant zijn aangemerkt als loon dat meegenomen moet worden in de premieheffing. Daarnaast heeft appellant aan de hand van omzetberekeningen en loon/omzet verhoudingen vastgesteld dat meer loon is uitbetaald dan is verantwoord. Tegen de correctienota van 29 maart 2000 heeft belanghebbende geen rechtsmiddel aangewend.

Naar aanleiding van onderzoeksresultaten van zijn Opsporingsdienst heeft appellant de correctie die was gebaseerd op de niet verantwoorde omzet en loon/omzet verhouding niet gehandhaafd. Bij nota van 21 januari 2002 heeft appellant het bedrag van deze correctie aan belanghebbende gecrediteerd.

Het tegen de creditnota van 21 januari 2002 gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van 10 juni 2002 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de bezwaren van belanghebbende betrekking hebben op de correctienota terzake van de niet verantwoorde arbeidsuren, het vakantiegeld en de feestdagenuitkering, waarop de creditnota geen betrekking heeft.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 6 oktober 2003 het tegen het besluit van 10 juni 2002 ingestelde beroep - met een bepaling omtrent griffierecht - gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. Daarbij heeft de rechtbank appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat over de in het bezwaarschrift bestreden correcties geen beslissing is genomen in de creditnota van 21 januari 2002.

Appellant heeft in deze uitspraak berust en heeft ter uitvoering van de uitspraak bij besluit van 17 maart 2004 het bezwaar van belanghebbende (alsnog) inhoudelijk beoordeeld.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 17 maart 2004 ingestelde beroep bij aangevallen uitspraak gegrond verklaard en dat besluit vernietigd omdat zij zich niet kon verenigen met de aan de herberekening van het premieloon ten grondslag gelegde schatting van het aantal door de werknemers in 1998 gewerkte uren. Met de overige door appellant ingenomen standpunten kon de rechtbank zich wel verenigen.

Beide partijen hebben zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad is van oordeel dat hij niet kan toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil en overweegt daartoe het volgende.

Vaststaat dat appellant ter voldoening aan de uitspraak van de rechtbank van 6 oktober 2003 bij besluit van 17 maart 2004 een inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de correcties die betrekking hebben op de niet verantwoorde arbeidsuren, het vakantiegeld en de feestdagenuitkering. De Raad acht dit onjuist, aangezien de nota van 21 januari 2002 ter zake van deze correcties geen zelfstandige rechtsgevolgen heeft en in zoverre niet als een (nader) besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt.

Dat appellant in de uitspraak van de rechtbank van 6 oktober 2003 heeft berust, is voor de Raad geen grond om het vorenstaande bij zijn beoordeling buiten beschouwing te laten, aangezien het in het onderhavige geval gaat om toepassing van bepalingen van openbare orde c.q. een goede procesorde welke niet ter vrije beschikking van partijen staan.

De Raad ziet in het voorgaande aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het tegen het besluit van 17 maart 2004 ingestelde beroep gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en het tegen het besluit van 21 januari 2002 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. De Raad acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig op grond waarvan in afwijking van het Besluit proceskosten bestuursrecht de werkelijk door belanghebbende gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 17 maart 2004;
Bepaalt dat het tegen het besluit van 21 januari 2002 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan belanghebbende het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 687,-- vergoedt.

Aldus gewezen door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x