Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AY8693
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-09-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is er sprake van verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn omdat in het bestreden besluit geen rechtsmiddelenvoorlichting was opgenomen? Verzoek om schadevergoeding ter zake van de kosten die zien op het feitelijk handelen van het UWV.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/7362 CSV




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 november 2005, 05/1490 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 september 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 3 augustus 2006 waar partijen - met voorafgaand schriftelijk bericht - niet zijn verschenen.




II. OVERWEGINGEN


Bij besluit van 28 januari 2005 heeft het Uwv deels gegrond en deels ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 mei 2004, waarin het Uwv het door appellant gedane verzoek om vergoeding van de door zijn accountant in rekening gebrachte kosten, ten bedrage van € 1.532,43, als gevolg van door het Uwv opgelegde premienota's voor het jaar 2000, heeft afgewezen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 6:7 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Tevens heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

Appellant kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft daartoe aangevoerd dat in tegenstelling tot de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 14 februari 2002, LJN AE0164, waarop de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd, er in onderhavig geding geen sprake was van een professionele partij die het bezwaarschrift heeft ingediend. Appellant heeft zelf bezwaar ingesteld tegen het schrijven van 17 mei 2004 waarin geen rechtsmiddelenvoorlichting was opgenomen, zodat de rechtbank appellant een overschrijding van de bezwaartermijn niet had mogen tegenwerpen.

De Raad overweegt als volgt.

In dit geding heeft appellant bij brief van 7 november 2003 een verzoek tot toekenning van buitengerechtelijke kosten ingediend. Van de zijde van het Uwv is hierop gereageerd bij schrijven van 17 mei 2004, zonder dat daarin een rechtsmiddelverwijzing was opgenomen. Bij brief van 2 juli 2004 heeft appellant een bezwaarschrift ingediend tegen het schrijven van 17 mei 2004. In het algemeen betekent het achterwege laten van een rechtsmiddelverwijzing geen generaal pardon voor een termijnoverschrijding. In onderhavig geval is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat appellant niet op de hoogte was van de geldende termijn voor het instellen van bezwaar, zodat de termijnoverschrijding appellant niet kan worden tegengeworpen. De Raad merkt daarbij op dat appellant zich pas in een later stadium in de bezwaarfase heeft laten bijstaan door een professionele gemachtigde.
Het vorenstaande voert tot de conclusie dat de rechtbank appellant ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De Raad zal onder vernietiging van de aangevallen uitspraak, doen wat de rechtbank had behoren te doen.

Het Uwv heeft appellant op 18 mei 2001 premienota's inzake het premiejaar 2000 opgelegd. In de bezwaarfase tegen voornoemde besluiten heeft het Uwv appellant bij brief van 31 juli 2001 medegedeeld dat na onderzoek is komen vast te staan dat weliswaar de juiste gegevens zijn ingevoerd, maar door een systeemfout deze niet verwerkt zijn in de premienota's van appellant. Tevens is aan appellant kenbaar gemaakt dat de fout inmiddels is hersteld en dat appellant medio augustus 2001 een nieuwe nota zal ontvangen met de juiste bedragen.

Bij brief van 7 november 2003 heeft appellant het Uwv aansprakelijk gesteld voor de door hem aan de accountant betaalde kosten ter hoogte van € 1.532,43. Daarbij heeft appellant het Uwv verzocht om deze kosten aan hem over te maken aangezien hij deze kosten niet had behoeven te maken indien het Uwv de aangeleverde gegevens correct had verwerkt.

Bij primair besluit van 17 mei 2004 heeft het Uwv het verzoek om vergoeding van de extra gemaakte kosten afgewezen. Na heroverweging van dit besluit in bezwaar heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat de door haar abusievelijk gedane aanpassingen niet hadden mogen plaatsvinden waardoor deze aanpassingen alsmede de besluiten onrechtmatig zijn. Omdat niet alle gemaakte kosten zijn toe te rekenen aan het Uwv, maar ook deels zien op kosten gemaakt met betrekking tot de premievaststelling van Relan Zekerheid en Relan Pensioen, acht het Uwv het redelijk dat de helft van de gemaakte kosten aan hem zijn toe te rekenen. Bij het bestreden besluit van 28 januari 2005 wijst het Uwv het verzoek tot vergoeding van de gemaakte kosten in bezwaar toe, in die zin dat een bedrag van € 766,22 voor vergoeding in aanmerking komt.

Appellant kan zich met de gedeeltelijke kostenvergoeding niet verenigen en voert in beroep daartegen aan dat Relan afhankelijk is van de vaststellingen door het Uwv, zodat ook de kosten die zijn gemaakt ten aanzien van Relan een direct gevolg zijn van de onjuiste beslissingen van het Uwv.

De Raad stelt vast dat het bestreden besluit een zelfstandig schadebesluit betreft. De Raad merkt op dat de bestuursrechter slechts bevoegd is te oordelen over een zelfstandig schadebesluit indien die rechter ook bevoegd is te oordelen over de aan dat besluit ten grondslag liggende schadeoorzaak zelf. In het onderhavige geval ziet de door appellant gestelde schadeoorzaak deels op de foutieve premienota inzake het jaar 2000 en deels op het feitelijk handelen van het Uwv nadien. Voorts stelt de Raad, conform de opgave van appellant, de accountantskosten met betrekking tot de foutieve nota's van het Uwv in de bezwaarfase gemaakt, vast op € 584,24 exclusief BTW. De overige kosten zien naar het oordeel van de Raad op het feitelijk handelen van het Uwv in de periode nadien.

Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat appellant met de aan hem toegekende vergoeding van € 766,22 niet te kort is gedaan. Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding van de kosten die zien op het feitelijk handelen van het Uwv ontbeert het naar het oordeel van de Raad aan connexiteit met een besluit ter beoordeling waarvan de bestuursrechter bevoegd is. Voorzover hierop betrekking hebbend, kan de afwijzing van het verzoek niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. In zoverre verklaart de Raad appellant niet-ontvankelijk in zijn bezwaar.

De Raad ziet in het vorenstaande aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in hoger beroep heeft gemaakt. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond voor wat betreft de kosten die geen verband houden met de nota 2000 en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
Verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk ten aanzien van even vermelde kosten;
Verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in hoger beroep gestorte griffierecht van € 103,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 september 2006.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) C.M.T. Kruls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x