Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AZ1968
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 26-10-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoofdelijkaansprakelijkstelling op grond van artikel 16d van de CSV van betrokkene voor de door de BV over de jaren in geding onbetaald gelaten premies voor de sociale werknemersverzekeringen. Faillissementscontroleverslag. Is er sprake geweest van aan betrokkene te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur als gevolg waarvan de premies niet zijn betaald?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/3639 CSV




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 april 2005, 03/5457 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 oktober 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant het mr. H.J. Gijssel, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2006. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Gansekoele, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Appellant is bestuurder geweest van [de besloten vennootschap] (hierna: de vennootschap). De vennootschap is op 9 mei 2001 in staat van faillissement verklaard. Bij besluit van 4 juli 2003 heeft het Uwv appellant op grond van artikel 16d van de CSV hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door deze vennootschap verschuldigde, doch niet betaalde premies voor de sociale werknemersverzekeringswetten ten bedrage van € 16.868,89. In dit besluit heeft het Uwv vermeld dat een melding als bedoeld in artikel 16d, tweede lid, van de CSV niet door hem is ontvangen. Aan dit besluit ligt ten grondslag een failissementscontroleverslag van 3 augustus 2001.

Bij besluit van 11 november 2003 heeft het Uwv beslissende op het bezwaarschrift van appellant tegen het besluit van 4 juli 2003 de aansprakelijkstelling gehandhaafd.

In zijn verweerschrift in eerste aanleg heeft het Uwv aangegeven dat gebleken is dat appellant van 23 januari 1998 tot 16 maart 1998 in het handelsregister ingeschreven heeft gestaan als bestuurder van de vennootschap. Echter, ook na 16 maart 1998 is appellant feitelijk als bestuurder blijven functioneren, althans acht het Uwv dat aannemelijk, zodat appellant ook aansprakelijk is voor de premieschuld ontstaan na 16 maart 1998 en wel op grond van artikel 16d, zesde lid, aanhef en onder b, van de CSV. Het Uwv heeft de rechtbank verzocht de aansprakelijkstelling mede hierop te gronden.
Voorts heeft het Uwv in vorenbedoeld verweerschrift aangegeven dat er sprake is van een rechtsgeldige melding op 9 mei 2001, te weten op de datum van het faillissement van de vennootschap.
Tevens heeft het Uwv aangegeven dat er sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Uit onderzoek is gebleken dat appellant opzettelijk geen premies heeft ingehouden en ook niet heeft afgedragen door geen jaaropgaven in te dienen. Daarnaast is gebleken dat appellant geen deugdelijke administratie heeft bijgehouden, jaarrekeningen niet of niet tijdig heeft gedeponeerd en werknemers niet of niet tijdig heeft aangemeld. Deze feiten hebben geleid tot navorderingen die de vennootschap niet kon betalen. Naar de mening van het Uwv is het oorzakelijk verband tussen het door appellant gepleegde onbehoorlijk bestuur en het niet betalen van de premies hiermee gegeven.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzoek van het Uwv om de grondslag van de aansprakelijkstelling voor de periode na 16 maart 1998 gewijzigd te achten, in die zin dat appellant voor de periode tot 16 maart aansprakelijk is op grond van artikel 16d, eerste lid, van de CSV en voor de periode na die datum op grond van artikel 16d, zesde lid, aanhef en onder b, van de CSV, gehonoreerd. Door deze wijziging van de grondslag is naar het oordeel van rechtbank appellant niet onevenredig in zijn belangen geschaad, te minder nu hij ter zitting zelf heeft gemeld over de gehele in geding zijnde periode feitelijk leiding te hebben gegeven aan de onderneming. Dit laatste is ook in lijn met zijn bezwaarschrift, waarin appellant spreekt van “mijn BV” en “mijn personeelsleden”.
Met betrekking tot het standpunt van het Uwv dat er sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur heeft de rechtbank overwogen dat hiertegen geen verweer is gevoerd. Op basis van het dossier en hetgeen aanvullend te harer zitting naar voren is gebracht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het handelen van appellant dient te worden gekwalificeerd als onbehoorlijk bestuur.
In hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de aansprakelijkheid van een medebestuurder van de vennootschap, de hoogte van de aansprakelijkstelling en de door zijn administratiekantoor gemaakte fouten heeft de rechtbank geen grond gevonden om het beroep van appellant tegen het besluit van 11 november 2003 gegrond te achten.

Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep over en weer hebben aangevoerd, overweegt de Raad allereerst dat het door appellant aangevoerde zozeer verweven is met de vraag of de premieschuld waarvoor hij hoofdelijk aansprakelijk is gesteld, een gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur, dat deze vraag niet onbesproken kan worden gelaten. Nu het Uwv alsnog uitgaat van een rechtsgeldige melding van betalingsonmacht, dient in het bijzonder de vraag te worden beantwoord of het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan kennelijk onbehoorlijk bestuur.

De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

Blijkens de in het besluit van 4 juli 2003 vervatte specificatie van het bedrag waarvoor appellant aansprakelijk is gesteld, is dit bedrag een uitvloeisel van correcties op door de vennootschap ingediende periodieke loonopgaven en jaarloonopgaven over de jaren 2000 en 2001. Gelet op deze specificatie moet het ervoor worden gehouden dat er wel degelijk loonopgave is gedaan door de vennootschap. Dat er geen premies zijn afgedragen door geen jaaropgaven in te dienen, zoals het Uwv heeft gesteld, blijkt hier niet uit. Ook het faillissementscontroleverslag maakt hiervan geen melding. Uit dit verslag blijkt evenmin dat, zoals het Uwv ook heeft gesteld, opzettelijk geen premies werden ingehouden. Wel zijn er onregelmatigheden gesignaleerd in de administratie, in het bijzonder met betrekking tot vakantiebonnen, en is er een achterstand ontstaan met betrekking tot de afdracht van premies, doch daarin ziet de Raad, onvoldoende grond gelegen om uit te gaan van kennelijk onbehoorlijk bestuur, althans heeft het Uwv onvoldoende gemotiveerd of en in hoeverre één en ander als kennelijk onbehoorlijk bestuur kan worden gekwalificeerd. Ook ter zitting heeft het Uwv niet kunnen aangeven waaruit het gestelde kennelijk onbehoorlijk bestuur bestaat.

Op grond van het hiervoor overwogene komt de Raad tot het oordeel dat het besluit van het Uwv van 11 november 2003 niet berust op een deugdelijke motivering. Dit brengt mee dat dit besluit en in het voetspoor daarvan de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komen.

De Raad acht tot slot termen aanwezig het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 322,- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 11 november 2003;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van € 134,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2006.

(get.) B.J. van de Net.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x