Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AZ4086
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-12-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de aanvraag voor vrijstelling van de basispremie WAO op grond van artikel 77b van de WAO over het jaar 1998 voor een viertal arbeidsgehandicapte werknemers terecht afgewezen?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 06/1536 CSV




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [verstigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 januari 2006, 05/2619 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 december 2006.




I.  PROCESVERLOOP


Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 26 oktober 2006, waar appellante is verschenen bij mr. J.P.M. van Zijl, advocaat te Tilburg. Het Uwv heeft zich - na voorafgaand schriftelijk bericht - niet doen vertegenwoordigen.




II.  OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in geding zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), zoals die luidden ten tijde in geding.

Op 23 november 2004 heeft appellante op grond van artikel 77b van de WAO aanvragen ingediend voor korting op c.q. vrijstelling van de basispremie WAO over de jaren 1998 tot en met 2001 voor een viertal arbeidsgehandicapte werknemers.

Bij besluit van 31 januari 2005 heeft het Uwv de aanvraag met betrekking tot het premiejaar 1998 afgewezen op de grond dat een dergelijke aanvraag kan worden ingediend tot vijf jaren sedert het einde van het kalenderjaar, waarin de premie definitief is vastgesteld, en dat de aanvraag voor het premiejaar 1998 daar niet aan voldoet. Bij beslissing op bezwaar van 18 mei 2005 zijn de bezwaren daartegen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Appellante stelt zich (kort weergegeven) op het standpunt dat - afgezien van de vraag of er gelet op de tekst van artikel 77b van de WAO het Uwv de vrijstelling en korting niet uit eigen beweging had moeten toepassen - van verjaring geen sprake kan zijn. Artikel 13, derde lid, van de CSV knoopt voor de aanvang van de termijn inzake de verjaring van de rechtsvordering tot terugvordering van onverschuldigd betaalde premies aan bij (het einde van het kalenderjaar van) de vaststelling van de premie. Deze vaststelling van de premie geschiedt op grond van het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de CSV door het Uwv. Appellante is van oordeel dat vaststelling van de premie achterwege is gebleven, zodat ook de verjaringstermijn niet is aangevangen. Voorts is appellante van mening dat het besluit op bezwaar in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder met een beroep op het ‘fair play’, is genomen. Dit brengt, aldus appellante, met zich mee dat het Uwv geen beroep op de verjaring toekomt indien het eerst zelf verzuimt om de vrijstellings- en kortingsregeling uit eigen beweging toe te passen en vervolgens om de premie vast te stellen.

De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

De Raad stelt voorop dat ingevolge artikel 77b van de WAO de basispremie niet is verschuldigd over het loon van een werknemer die arbeidsgehandicapte is in de zin van artikel 2 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, indien de werkgever aantoont dat het totaalbedrag van de premieplichtige loonsom van de arbeidsgehandicapte werknemers die tot hem in dienstbetrekking staan in een kalenderjaar en de som van de aan hen in dat kalenderjaar verstrekte arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ten minste gelijk is aan vijf procent van de premieplichtige loonsom van de werkgever in dat kalenderjaar.
Uit de voorwaarde dat de werkgever dient aan te tonen dat het totaal van de premieplichtige loonsom van de arbeidsgehandicapte werknemers ten minste gelijk is aan vijf procent van de som van de aan hen verstrekte arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, in verbinding met het ten tijde hier in geding door het bevoegde uitvoeringsorgaan gevolgde systeem van premieafdracht op aangifte ten einde de verschuldigde premie maandelijks vast te stellen, volgt naar het oordeel van de Raad dat door de werkgever om vrijstelling van en korting op de basispremie WAO dient te worden verzocht. Dat dit ook de bedoeling van de wetgever is geweest wordt bevestigd door het thans - ter vervanging van artikel 77b - geldende artikel 79b van de WAO waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat onder de in dit artikel vermelde voorwaarden aan de werkgever, op diens aanvraag, een korting dan wel vrijstelling kan worden verleend.

Met betrekking tot de stelling van appellante - onder verwijzing naar artikel 13, derde lid van de CSV, dat van verjaring geen sprake kan zijn omdat de vaststelling van de premie achterwege is gebleven, merkt de Raad het volgende op.

Ingevolge artikel 11 van de CSV heeft het Uwv de bevoegdheid om premie vast te stellen. Artikel 13 van de CSV bevat verjaringstermijnen voor de in artikel 11 van de CSV geregelde vaststelling, invordering en restitutie van de premie.
Blijkens inmiddels vaste jurisprudentie van de Raad hebben artikel 11, vierde lid, van de CSV en artikel 13, derde lid, van de CSV geen zelfstandige betekenis, maar is in deze bepalingen slechts vastgelegd wat de rechtsgevolgen zijn van een besluit van het Uwv waaruit volgt dat een werkgever meer aan premies heeft betaald dan is verschuldigd. Dit betekent dat het onderhavige verzoek van appellante niet kan worden gestoeld op deze artikelen. Een verzoek tot vrijstelling en korting op de basispremie WAO als bedoeld in artikel 77b, van de WAO moet dan ook worden aangemerkt als een besluit tot premievaststelling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de CSV. Voor deze laatste bepaling is artikel 13, eerste lid, van de CSV leidend. Voornoemd artikel bepaalt dat door het Uwv geen premie meer wordt vastgesteld na verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarover de premie verschuldigd is geworden. De premieschuld ontstaat, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 16 april 1982, NJ 1982/635, van rechtswege op het ogenblik dat de werkgever loon betaalt. Hieruit vloeit voort dat de premie over het premiejaar 1998, waar de aanvraag van appellante hier in geschil op ziet, vanaf 1 januari 2004 niet langer kan worden vastgesteld. Het beroep van appellante op artikel 13, derde lid, van de CSV kan niet slagen. Deze bepaling regelt slechts de verjaring van de rechtsvordering tot terugbetaling nadat uit een besluit tot herziening van de premievaststelling is gevolgd dat een premieplichtige eerder onverschuldigd premie heeft betaald. De aanvraag van 23 november 2004, welke ziet op het premiejaar 1998, is derhalve terecht afgewezen.

Gelet op het bovenstaande komt de Raad niet meer toe aan het beroep van appellante op schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur en met name het ‘fair play’-beginsel. Dit beroep ziet immers op de stelling van appellante dat het Uwv zelf heeft verzuimd de vrijstellings- en kortingsregeling uit eigen beweging toe te passen en daartoe was, naar het oordeel van de Raad, het Uwv niet verplicht.

Voor zover appellante ten aanzien van artikel 13, eerste lid, van de CSV een beroep heeft gedaan op strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, merkt de Raad ten slotte nog het volgende op.

Zoals de Raad reeds herhaaldelijk tot uitdrukking heeft gebracht zijn er bijzondere gevallen denkbaar waarin strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd komt met het ongeschreven recht, dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Van een dergelijk bijzonder geval kan sprake zijn, indien vanwege het tot beslissen bevoegde orgaan ten aanzien van betrokkene uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd (onjuiste of onvolledige) inlichtingen zijn verschaft die bij die betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Van een dergelijk bijzonder geval is de Raad niet gebleken.

Ook overigens ziet de Raad in hetgeen in hoger beroep van de zijde van appellante naar voren is gebracht geen grond voor de conclusie dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.




III.  BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 december 2006.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) M. Pijper.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x