Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AZ4939
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-12-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van correctie- en boetenota's over de jaren in geding. Is er sprake van een privaatrechtelijke arbeidsverhouding, die verplichte verzekering voor de sociale werknemersverzekeringen met zich meebrengt? Op grond van de feiten en omstandigheden van het onderhavig geval dient te worden bezien of de drie essentiŽle kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, te weten een gezagsverhouding, de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting en de verplichting tot loonbetaling, aanwezig zijn.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/3777 CSV




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 3 mei 2005, 04/707 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 december 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 2 november 2006, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door haar directeur H.J. [d. V.], bijgestaan door mr. M.M.J. Arts, advocaat te Leeuwarden. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.J. Lustenhouwer, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in geding zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet (WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Ziekenfondswet (Zfw) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het vermelden van de volgende, voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijnde gegevens.

Tijdens een in augustus 2003 bij appellante gehouden looncontrole is gebleken dat buiten de loonadministratie om betalingen zijn gedaan aan H. [B.] (hierna: [B.]) in verband met werkzaamheden die hij middels zijn eenmanszaak voor appellante in de jaren 1998 tot en met 2002 heeft verricht. Het Uwv heeft verzekeringsplicht aangenomen op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten en appellante op 17 december 2003 over voornoemde jaren correctienota's doen toekomen en op 22 december 2003 over de jaren 1999 tot en met 2002 boetenota's doen toekomen.

In dit geding moet de vraag worden beantwoord of het Uwv terecht heeft aangenomen dat tussen [B.] en appellante een arbeidsverhouding heeft bestaan die verplichte verzekering ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten heeft meegebracht.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat, nu aan alle voorwaarden wordt voldaan voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, het Uwv op grond van artikel 3 van de ZW, de WW de WAO en de Zfw ter zake van de door appellante aan [B.] verrichte betalingen terecht verzekeringsplicht heeft aangenomen.

In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. De grieven van appellante richten zich voornamelijk tegen het oordeel van de rechtbank dat slechts gekeken dient te worden naar de feiten en omstandigheden van de te beoordelen situatie en dat de bedoeling die partijen met hun rechtsverhouding voor ogen hebben gehad niet ter zake doet. Appellante betwist dan ook dat de werkzaamheden van [B.] dienen te worden aangemerkt als werkzaamheden die zijn verricht in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

De Raad overweegt als volgt.

Met de rechtbank en op de door haar aangegeven gronden is de Raad van oordeel dat [B.] de werkzaamheden in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft verricht. Naar het oordeel van de Raad dient op grond van de feiten en omstandigheden van het onderhavig geval te worden geconcludeerd dat de drie essentiŽle kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, te weten een gezagsverhouding, de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting en de verplichting tot loonbetaling aanwezig zijn.

Met betrekking tot de gezagsverhouding overweegt de Raad dat hiervan blijkens zijn vaste rechtspraak sprake is indien de mogelijkheid bestaat tot het geven van aanwijzingen dan wel tot het uitoefenen van controle en/of toezicht. In dat verband overweegt de Raad dat de rechtbank er terecht op heeft gewezen dat de installatiewerkzaamheden die [B.] voor appellante heeft verricht behoren tot de kernactiviteiten van appellante en dat appellante aanvankelijk met name van [B.] gebruik maakte indien er onvoldoende eigen personeel was voor de verworven opdrachten. Met betrekking tot de door [B.] voor appellante verrichte overige activiteiten, zoals ter zitting van de Raad namens appellante toegelicht en die de Raad kort kenschetst als bouw- en tegelwerk, merkt de Raad op dat deze werkzaamheden veelal in samenwerking met personeel van appellante onder regie van appellante zijn verricht. In alle situaties geldt dat niet [B.] maar appellante op het eindresultaat wordt afgerekend door de opdrachtgevers van appellante. Gelet op het bovenstaande doet naar het oordeel van de Raad aan het bestaan van een gezagsrelatie voorts geen afbreuk de omstandigheid dat het eigen personeel niet beschikte over vaardigheden op het gebied van het bouw- en tegelwerk en dat [B.] naast zijn werkzaamheden voor appellante als zelfstandige werkzaam is geweest, in welke hoedanigheid hij wel eens naast appellante aan een project heeft gewerkt.

Met betrekking tot de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting overweegt de Raad dat [B.] de werkzaamheden steeds persoonlijk heeft verricht en dat niet gebleken is dat hij zich heeft laten vervangen.
Voorts kan de Raad het door [B.] gedeclareerde uurtarief niet anders beschouwen dan als contraprestatie voor het verrichten van arbeid. In hoger beroep is - zonder bewijsstukken ter staving - naar voren gebracht dat in de relatie tussen appellante en [B.] het overeengekomen resultaat voorop stond en niet de arbeid als zodanig. Zo er al sprake zou zijn van een resultaatsverbintenis ontneemt dat niet het karakter van loon aan de gedane betalingen.

Ten aanzien van hetgeen is aangevoerd met betrekking tot het feit dat [B.] sedert 1 januari 2003 beschikte over een zogeheten VAR-verklaring merkt de Raad, de betekenis van een dergelijke verklaring voor onderhavige geschil daarlatend, met de rechtbank op dat deze verklaring niet ziet op de periode in geding.

Met betrekking tot de boetenota's is de Raad anders dan appellante van oordeel dat de aanwezigheid van opzet dan wel grove schuld voldoende door het Uwv is gemotiveerd. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad ligt bij de werkgever de verantwoordelijkheid om zich er van te vergewissen of van door hem in verband met arbeid verstrekte vergoedingen loonopgave moet worden gedaan. In geval van twijfel of onduidelijkheid ligt bij de werkgever de verantwoordelijkheid informatie in te winnen bij het Uwv. Nu appellante dit heeft nagelaten heeft het Uwv terecht opzet dan wel grove schuld aangenomen. Dit leidt tot de conclusie dat het Uwv terecht over de jaren 1999 tot en met 2002 een boete heeft opgelegd ter hoogte van 25% van de verschuldigde premie.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 december 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x