Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AZ8195
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-01-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van correctie- en boetenota's over de jaren in geding. Er bestaat verschil tussen de premieloonstaten waarop de eindafrekening is gebaseerd en de premieloonstaten van de salarisadministratie. Is er sprake van opzet en/ of grove schuld?
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 06/348 CSV en 06/350 CSV




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 december 2005, 04/2403 en 05/497 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[belanghebbende], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende).

Datum uitspraak: 25 januari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Lustenhouwer, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam directeur belanghebbende], directeur van belanghebbende.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Belanghebbende exploiteert sinds 1998 een uitzendbureau. Bij besluit van 7 juli 2004 heeft appellant ongegrond verklaard de bezwaren van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde correctie- en boetenota’s over de jaren 1999 tot en met 2001.
Deze nota’s zijn een gevolg van een bij belanghebbende eind oktober 2003 gehouden looncontrole over de jaren 1998 tot en met 2002, waarbij is geconstateerd dat er een verschil bestaat tussen de premieloonstaten waarop de eindafrekening over de jaren 1999 tot en met 2001 zijn gebaseerd en de premieloonstaten van de salarisadministratie van belanghebbende. Bij de oplegging van de boetenota’s is appellant uitgegaan van opzet en of grove schuld en een boete opgelegd van 25%.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen betreffende de proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 7 juli 2004 vernietigd, voorzover dat betrekking heeft op de boete wegens over 1999 niet opgegeven loon en het beroep in zoverre gegrond verklaard, het beroep voor het overige ongegrond verklaard, en bepaald dat appellant een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Bij haar uitspraak, waarin appellant is aangeduid als verweerder en belanghebbende als eiseres, heeft zij daartoe het volgende overwogen:
"Dienaangaande overweegt de rechtbank dat, daargelaten of eiseres in 1999 als een kleine beginnende ondernemer zou moeten worden aangemerkt, er ten aanzien van dat jaar in ieder geval sprake is van een dermate omvangrijke nalatigheid ten aanzien van de loonopgave dat moet worden gesproken van opzet en/of grove schuld. Zijdens eiseres is namelijk over 1999 in het geheel geen loonbedrag opgegeven en zij heeft onvoldoende doen toelichten welk eventueel misverstand hiervan de oorzaak zou zijn geweest. In dit verband wordt opgemerkt dat het loonverschil over 1999 (evenals dat over 2001) is vastgesteld bij het bedrijf met het aansluitingsnummer 026-149.823.72-01-03 en dat zijdens eiseres op een formulier d.d. 6 april 2000 is verklaard dat onder die aansluitidentificatie gedurende 1999 geen premieplichtig personeel in dienst zou zijn geweest.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder de boete over 1999 met toepassing van artikel 5 van het destijds geldende Besluit Administratieve Boeten Coördinatiewet in beginsel terecht vastgesteld op 25% van het alsnog verschuldigde premiebedrag. Anders dan verweerder meent de rechtbank evenwel dat latere regelgeving - te weten: het Besluit toepassing bestuurlijke boeten Coördinatiewet Sociale Verzekering van 1 november 2000, in werking getreden per 1 januari 2001, Staatscourant 2000, 221, verder te noemen: het Toepassingsbesluit 2001 - leidt tot een lagere boete over 1999. Het in artikel 17, tweede lid van het toepassingsbesluit 2001 opgenomen schema leidt immers, bij het “in het geheel niet indienen van de (jaar)loonopgave” in geval van een eerste overtreding (zoals in casu) en bij een (met opzet of grove schuld gepaard gaand) vergrijp tot een boete van 10% van het alsnog verschuldigde premiebedrag. Deze laatste, voor eiseres gunstiger, boete dient te worden toegepast, zodat het bestreden besluit van 7 juli 2004 wat betreft de boete terzake van niet opgegeven loon over 1999 voor vernietiging in aanmerking komt."

Appellant kan zich hierin niet vinden en heeft dienaangaande het volgende aangevoerd.

"De rechtbank heeft met betrekking tot de boete over 1999 overwogen dat latere regelgeving - te weten: het Besluit toepassing bestuurlijke boetes Coördinatiewet Sociale Verzekering van 1 november 2000, in werking getreden per 1 januari 2001, Staatscourant 2000, 221, verder te noemen: het Toepassingsbesluit - leidt tot een lagere boete over 1999. Het artikel 17, tweede lid, van het Toepassingsbesluit opgenomen schema leidt immers, zo overweegt de rechtbank, bij het ‘in het geheel niet indienen van de (jaar) loonopgave’ in geval van een eerste overtreding en bij een (met opzet of grove schuld gepaard gaand) vergrijp tot een boete van 10% van het alsnog verschuldigde premiebedrag. De rechtbank komt dan tot de conclusie dat deze laatste, voor eiseres gunstiger, boete dient te worden toegepast.
In onderhavige geval is echter geen sprake van het geheel niet voldoen aan de verplichting tot indienen van de jaaropgavekaarten vóór 1 februari van het opvolgende jaar, maar is sprake van een werkgever, bij wie tijdens een looncontrole in 2003 wordt geconstateerd dat de premielonen van de eindafrekeningen over de jaren 1999-2001 niet gelijk zijn aan de premielonen van zijn salarisadministratie (gedingstuk 1.5). Met andere woorden, de werkgever had wél jaarloonopgavekaarten ingediend, maar heeft daarbij niet al het premieloon opgegeven, dat blijkens zijn eigen salarisadministratie als premieloon opgegeven had dienen te worden, zodat de eindafrekeningen te laag zijn vastgesteld.
Overigens merken wij nog op dat de jaaropgavekaarten over het jaar 1999 die gedaagde in 2000 bij ons heeft ingediend, een nihilopgave betrof. De overweging van de rechtbank dat ‘zijdens eiseres over 1999 in het geheel geen loonbedrag is opgegeven’ dient derhalve dan ook in die zin te worden verstaan.
Naar onze mening miskent de rechtbank derhalve dat het de overtreding betreft vermeld in subschema V: het doen van een inhoudelijk niet juiste of niet volledige loonopgave en derhalve niet de overtreding terzake van het in het geheel niet indienen van de jaaropgavekaarten (vóór 1 februari van het opvolgende jaar), zoals vermeld in subschema I van artikel 17, lid 2, van het Toepassingsbesluit. Op grond van artikel 17, tweede lid leidt voornoemde overtreding van subschema V bij een eerste overtreding en bij een vergrijp tot een boete van 25%."

De Raad verenigt zich met dit betoog van appellant en maakt dit tot de zijne.

Nu vaststaat dat de aan belanghebbende opgelegde boete over het jaar 1999 is gerelateerd aan het feit - zoals vermeld in subschema I van artikel 17, tweede lid, van het Toepassingbesluit 2001 - van het doen van een inhoudelijk niet juist of niet volledige loonopgave en het een eerste verzuim betreft, is de Raad van oordeel dat appellant op goede gronden en in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke bepalingen inzake boeteoplegging de kwalificatie opzet of grove schuld heeft aangenomen en terecht een boete heeft opgelegd van 25%.

Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep.

De Raad ziet tot slot geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als grifier, uitgesproken in het opbaar op 25 januari 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x