Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
AZ9894
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-02-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van correctie- en boetenota's over de jaren in geding wegens onjuiste loonopgaven en overtreding van de 5%-regeling. Is er sprake van opzet of grove schuld?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/6802 CSV




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 14 oktober 2005, 04/497 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[naam BV], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 22 februari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.A.W. Langevoord, werkzaam bij Loyens & Loeff N.V. te Eindhoven, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2007. Namens appellant is verschenen mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en namens betrokkene is verschenen mr. Langevoord, voornoemd.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

Nadat bij een looncontrole in 2003 was gebleken dat betrokkene onjuiste loonopgave had gedaan, heeft appellant premiecorrecties doorgevoerd. Op 24 december 2003 heeft appellant boetenota’s verzonden over de jaren 1999 tot en met 2002. Met betrekking tot 1999 heeft appellant de boete verhoogd, omdat in 1998 ook een boete is opgelegd in verband met het doen van een onjuiste loonopgave. Met betrekking tot 2000, 2001 en 2002 is een derde overtreding aangenomen, omdat naast de in 1998 opgelegde boete op 22 november 1999 ook een boete is opgelegd in verband met een overtreding van de zogeheten 5%-regeling. De hoogte van de boeten is voor 1999 tot en met 2002 vastgesteld op 37,5% van de premiecorrecties. Bij besluit van 19 april 2004 is het bezwaar tegen de boetenota’s van 24 december 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het besluit van 19 april 2004 vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat onder de tot 1 januari 2001 geldende regelgeving de term “verzuim” werd gehanteerd indien zowel opzet als grove schuld werd gedoeld. In de regelgeving, zoals deze sinds 1 januari 2001 van toepassing is, dient de term “verzuim” ter kwalificatie van grove schuld, terwijl in geval van opzet wordt gesproken van een “vergrijp”. Volgens de rechtbank heeft appellant voorts, wat de boete over 1999 betreft, verzuimd aan te geven voor wat voor soort gedraging de eerdere boete is opgelegd en evenmin heeft appellant vermeld in welke hoedanigheid (opzet dan wel grove schuld) deze gedraging zou hebben plaatsgevonden. Derhalve kan niet worden vastgesteld of aan het in de uitspraak van de Raad van 7 december 2000 (LJN ZB9041, onder meer gepubliceerd in RSV 2001/84) gestelde vereiste is voldaan.
Met betrekking tot de boete over 2000 heeft de rechtbank overwogen dat appellant daaraan ten onrechte het Boetebesluit werkgevers CSV en het daarop rustende Besluit toepassing bestuurlijke boeten CSV (verder: het Toepassingsbesluit 2001) ten grondslag heeft gelegd in plaats van het zogeheten ABC-besluit en het daarop rustende Besluit toepassing administratieve boeten CSV (verder: het Toepassingbesluit).
Nu de boetenota’s over 1999 en 2000 geen stand kunnen houden, is voor de rechtbank ook niet duidelijk in hoeverre de boeteopleggingen over 2001 en 2002 nog stand kunnen houden.

Appellant heeft in hoger beroep de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.

De Raad overweegt als volgt.

Terecht heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank een onjuiste uitleg aan het begrip “verzuim” heeft gegeven. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het ABC-besluit en artikel 1, aanhef en onder b, van het daarop berustende Toepassingsbesluit wordt onder “verzuim” verstaan het door de werkgever niet, niet juist of niet volledig voldoen aan de hem op grond van artikel 10, tweede lid, van de wet geldende verplichting, omschreven in de artikelen 8, 11, 12 en 13 van het Loonadministratiebesluit. Met het begrip “verzuim” werd derhalve bedoeld dat de werkgever een overtreding had begaan. In artikel 5 van het Toepassingbesluit worden vervolgens criteria gegeven voor de beoordeling van de vraag of het verzuim te wijten is aan opzet of grove schuld.
In de regelgeving vanaf 1 januari 2001 wordt, indien een werkgever een overtreding heeft begaan, onderscheid gemaakt tussen de kwalificatie “verzuim” en “vergrijp”. Onder “verzuim” wordt verstaan het door de werkgever niet, niet juist of niet volledig voldoen aan een voor hem op grond van artikel 10, tweede lid, CSV geldende verplichting zonder dat daarbij sprake is van opzet of grove schuld. Onder “vergrijp” wordt verstaan het opzettelijk of aan grove schuld te wijten niet, niet juist of niet volledig voldoen aan een voor hem op grond van artikel 10, tweede lid, CSV geldende verplichting.

Voorts heeft appellant terecht aangevoerd dat jaaropgaven vóór 1 februari van het daarop volgende jaar moeten worden ingediend. Voor 1999 is betrokkene op 1 februari 2000 in overtreding, voor 2000 op 1 februari 2001, voor 2001 op 1 februari 2002 en voor 2002 op 1 februari 2003.

Niet in geschil is dat betrokkene op 19 november 1998 is beboet voor het doen van een inhoudelijk niet juiste loonopgave. Nu betrokkene voor 1999 andermaal onjuiste loonopgave heeft gedaan, is er gelet op artikel 2 van het Toepassingsbesluit voor 1999 dan ook sprake van een tweede verzuim. Naar het oordeel van de Raad volgt dit ook in voldoende mate uit de bovengenoemde uitspraak van 7 december 2000. Of er sprake was van opzet of grove schuld speelt geen rol bij de vraag of er sprake is van een eerste, tweede of derde verzuim in de zin van het ABC-besluit.
Gelet op de datum waarop betrokkene voor 2000 een overtreding heeft begaan (1 februari 2001), moet met appellant worden geconcludeerd dat aan de over 2000 opgelegde boete terecht het Boetebesluit werkgevers CSV ten grondslag is gelegd. In dit Boetebesluit is in artikel 5, eerste lid, bepaald dat wanneer binnen vijf jaar sedert het einde van het kalenderjaar waarin, op grond van de CSV, een boete is opgelegd wederom een verzuim of vergrijp wordt gepleegd, de boete terzake van dat verzuim of vergrijp met 50% wordt verhoogd. Anders dan onder de tot 1 januari 2001 geldende regelgeving is daarbij niet van belang waarvoor de boete is opgelegd. Nu niet is bestreden dat, naast de al genoemde boete van 19 november 1998, ook op 22 november 1999 een boete is opgelegd, geldt ten aanzien van 2000 dat er sprake is van een derde overtreding.

Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van 2001 en 2002, waarbij de Raad nog opmerkt dat, ook al zouden de boeten ten aanzien van 1999 en 2000 geen stand hebben gehouden, dit nog geen gevolgen zou hoeven te hebben voor de boeten over 2001 en 2002.

Voor de uiteindelijke berekening van de hoogte van de boeten verwijst de Raad naar hetgeen appellant heeft vermeld in het aanvullend hoger beroepschrift, wat erop neerkomt dat toepassing van het Besluit toepassing bestuurlijke boeten CSV 2002 voor betrokkene het meest gunstig is. Dit leidt ertoe dat de boeten over 1999 tot en met 2002 terecht op 37,5% van de premiecorrecties zijn gesteld.

Hetgeen betrokkene ter zitting van de rechtbank en ook in hoger beroep heeft aangevoerd kan aan het voorgaande niet afdoen. Op zich is het juist dat het voor een verhoging van de boete op grond van recidive van belang is in welke volgorde overtredingen zijn begaan. Als een verzuim de tweede overtreding is, dan heeft dat een lagere verhoging tot gevolg dan wanneer een vergrijp de tweede overtreding vormt. Dat is echter een gegeven waarop alleen de werkgever invloed kan uitoefenen en maakt niet dat de van toepassing zijnde regelgeving wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing zou moeten worden gelaten. Ook het feit dat een werkgever die op aangifte premies betaalt anders dan een werkgever die onderworpen is aan het regime van voorschotnota’s, de 5%-regeling niet zou kunnen overtreden maakt het voorgaande niet anders. Namens appellant is ter zitting van de Raad verklaard dat dit verschil berust op een keuze van een werkgever, zodat ook betrokkene hierin een keuze had kunnen maken.

Al het voorgaande betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M. Pijper.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x