Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
BA1520
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-03-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van correctie- en boetenota's over de jaren in geding. Omvang van het geding. De rechtbank heeft bij de beoordeling van de vraag of de correctienota’s bij het op bezwaar genomen besluit terecht zijn gehandhaafd, ten onrechte de toetsing beperkt tot de vraag of dat besluit gelet op de bij het nemen van dat besluit aan het UWV ter beschikking staande stukken juist is. Terugwijzing van de zaak naar de rechtbank.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 06/2327 CSV




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 14 maart 2006, 04/1314 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 maart 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. E.J.M. Rosier, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2007, waar voor appellante zijn verschenen mr. Rosier en mr. P.C. de Heer, belastingadviseur te Born. Het Uwv heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.

Naar aanleiding van een medio 2003 bij appellante uitgevoerde looncontrole heeft het Uwv onder meer met betrekking tot de aansluiting 026-153.962.99-01-01 van appellante op 21 januari 2004 correctienota’s opgelegd over 2000 tot en met 2002. Tevens zijn voor deze aansluiting op 26 januari 2004 over 2000 tot en met 2002 boetenota’s opgelegd. Namens appellante is bij brief van 19 februari 2004 bezwaar gemaakt tegen genoemde correctienota’s. Bij brief van dezelfde datum is om uitstel van betaling verzocht van de opgelegde boetenota’s totdat op het bezwaar tegen de correctienota’s is beslist. Bij besluit van 20 juli 2004 heeft het Uwv de bezwaren van appellante ongegrond verklaard en de correctie- en boetenota’s over de jaren 2000 tot en met 2002 gehandhaafd.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 20 juli 2004 ongegrond verklaard. Zij stelde in de eerste plaats vast dat appellante niet afzonderlijk bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 26 januari 2004, waarbij de boeten zijn opgelegd. Met betrekking tot de correctienota’s overwoog de rechtbank dat de beoordeling van het beroep tegen die besluiten zich toespitst op de vraag of het Uwv gelet op de gegevens die appellante ten laatste ten tijde van de beslissing op bezwaar heeft verschaft een juist besluit heeft genomen. Dit heeft volgens de rechtbank tot gevolg dat de door appellante bij brief van 18 oktober 2005 in het geding gebrachte stukken niet aan het Uwv kunnen worden tegengeworpen, voor zover deze gegevens bevatten waarmee het Uwv bij het besluit op bezwaar geen rekening heeft kunnen houden. De rechtbank is van oordeel dat de na bezwaar gehandhaafde correctienota’s terecht zijn opgelegd.

In hoger beroep heeft appellante de juistheid van de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Primair is zij van mening dat het oordeel van de rechtbank, inhoudende dat de beoordeling van het beroep zich toespitst op de vraag of het Uwv gelet op de gegevens die appellante ten tijde van het besluit op bezwaar heeft verschaft een juist besluit heeft genomen, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Volgens appellante diende de rechtbank te beoordelen of het bestreden besluit op goede gronden is genomen. De in het aanvullend beroepschrift van 18 oktober 2005 aangevoerde gronden houden volgens appellante direct verband met de reeds eerder in bezwaar aangevoerde gronden. In deze brief en in de ter onderbouwing daarvan bijgevoegde administratie van appellante zijn deze bezwaren slechts nader onderbouwd. Bovendien stond deze documentatie tijdens de uitgevoerde looncontrole ook aan het Uwv ter beschikking. Appellante heeft de Raad subsidiair verzocht de zaak in volle omvang te onderzoeken.
Ten slotte heeft de rechtbank in de visie van appellante ten onrechte beslist dat appellante geen inhoudelijk bezwaar tegen de boeten heeft aangetekend.

Met betrekking tot de primaire grief van appellante blijkt uit de stukken dat de rechtbank na het onderzoek ter zitting op 12 mei 2005, waar het Uwv niet is verschenen, heeft besloten tot heropening van het onderzoek. Bij brief van 29 juli 2005 heeft het Uwv op verzoek van de rechtbank gereageerd op hetgeen appellante tijdens de zitting heeft aangevoerd en op de brief van appellante van 8 juni 2005. Bij brief van 18 oktober 2005 met bijlagen heeft appellante haar beroep in reactie op de brief van het Uwv van 29 juni 2005 nader gemotiveerd. Vervolgens is het onderzoek voortgezet ter zitting van de rechtbank van 9 november 2005, waar het Uwv evenmin is verschenen.

De Raad onderschrijft de opvatting van appellante dat de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of de correctienota’s bij het op bezwaar genomen besluit terecht zijn gehandhaafd, ten onrechte de toetsing heeft beperkt tot de vraag of dat besluit gelet op de bij het nemen van dat besluit aan het Uwv ter beschikking staande stukken juist is. Op grond van artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht diende de rechtbank over het beroep tegen het besluit op bezwaar te beslissen op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Appellante heeft na heropening van het onderzoek bij brief van 18 oktober 2005 de gronden welke zij eerder tegen de (hoogte van de) door het Uwv over de jaren 2000 tot en met 2002 toegepaste correcties heeft aangevoerd uitgewerkt en met stukken onderbouwd. Naar het oordeel van de Raad bestond er geen enkel beletsel om deze stukken te betrekken bij de toetsing van de rechtmatigheid van het besluit op bezwaar. Voor zover het daarbij zou gaan om stukken welke aan het Uwv bij het nemen van het besluit op bezwaar niet bekend waren, wat door appellante overigens is betwist, diende het Uwv uit een oogpunt van een goede procesorde in de gelegenheid te worden gesteld om op deze stukken te reageren. Dit is in dit geval ook gebeurd.
De Raad merkt nog op dat de rechtbank, indien zij tot het oordeel zou komen dat het besluit op bezwaar uitgaande van de toen bekende stukken wel, maar op grond van de in beroep in het geding gebrachte nieuwe stukken niet rechtmatig is, hieraan gevolgen had kunnen verbinden voor de toekenning van een proceskostenvergoeding.

Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat de rechtbank bij de toetsing van het op bezwaar genomen besluit een onjuiste maatstaf heeft aangelegd en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.
De Raad acht termen aanwezig om het geding met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet ter afdoening terug te wijzen naar de rechtbank.

Met het oog hierop merkt de Raad op dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat appellante geen bezwaar heeft ingediend tegen de boetenota’s van 26 januari 2004. Het bezwaarschrift van 19 februari 2004 is immers gericht tegen de correctienota’s en de brief van dezelfde datum over de boetenota’s houdt slechts een verzoek in om uitstel van betaling, hetgeen niet kan worden aangemerkt als een bezwaar tegen die nota’s. Aan deze vaststelling dient naar het oordeel van de Raad de gevolgtrekking te worden verbonden dat het besluit op bezwaar ten onrechte tevens een beslissing inhoudt over de boetenota’s.

De Raad zal de beslissing over de proceskostenveroordeling in hoger beroep reserveren tot de einduitspraak van de rechtbank. De proceskosten worden begroot op € 644,--.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak ter verdere afdoening terug naar de rechtbank;
Stelt de door appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten vast op een bedrag van € 644,--, en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent vergoeding van deze kosten;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 422,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) D. Olthof.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x