Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
BA2365
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 11-05-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Het niet afhalen van per aangetekende post verzonden correctienota's is voor risico van betrokkenen.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 05/4774 CSV, 05/4776 CSV, 05/4777 CSV en 05/4778 CSV




U I T S P R A A K




op de hoger beroepen van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 juli 2005, 04/3745, 04/4204, 04/4206, 04/4210 en 04/4212 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkenen] (hierna: betrokkenen).

Datum uitspraak: 11 mei 2006.




I.  PROCESVERLOOP


Namens appellant is hoger beroep ingesteld. Betrokkenen hebben een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 7 april 2006, waar appellant niet is verschenen, terwijl betrokkenen zich hebben doen vertegenwoordigen door haar directeur H. Versteegen, bijgestaan door mr. P.A.L.C. Lamme, advocaat te Zoetermeer.




II.  OVERWEGINGEN


Het geschil betreft het antwoord op de vraag of appellant betrokkenen bij besluiten van 23 augustus 2004 op juiste gronden niet ontvankelijk heeft verklaard wegens het feit dat betrokkenen bij het instellen van bezwaar de ingevolge de artikelen 6:7, 6:8; 6:9 en 6:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift van zes weken, niet in acht hebben genomen en dat niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs geoordeeld kan worden dat betrokkenen niet in verzuim zijn geweest.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de correctienota's over de jaren 1998 tot en met 2001 op 24 en 29 december 2003 aangetekend zijn verzonden en dat deze niet door betrokkenen zijn afgehaald. TPG Post heeft deze nota's geretourneerd aan appellant, waarna appellant deze nota's op 18 februari 2004 per gewone post nogmaals aan betrokkenen heeft verzonden. De rechtbank is van oordeel dat de besluiten rechtsgeldig bekend zijn gemaakt en dat het niet afhalen van aangetekende post voor rekening en risico van betrokkenen komt. Gelet echter op de gang van zaken, waarbij betrokkenen eerst bij brief van 18 februari 2004 op de hoogte raakten van de besluiten en vervolgens nog bij brief van 27 februari 2004 van appellant tot 17 maart 2004 de tijd hebben gekregen om bezwaar in te stellen, is de rechtbank van oordeel dat betrokkenen het voordeel van de twijfel verdienen en acht zij de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen en zich uitgesproken omtrent proceskosten en griffierecht.

In hoger beroep heeft appellant aangegeven zich niet te kunnen vinden in de conclusie van de rechtbank dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, omdat betrokkenen door hun eigen toedoen geen kennis hebben kunnen nemen van de correctienota's. Hierdoor is de bezwaartermijn verstreken en kunnen gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden na het verstrijken van de bezwaartermijn geen verschoonbare reden opleveren.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de gevolgen van het niet afhalen van de per aangetekende post verzonden correctienota's voor risico van betrokkenen komt en dat de bezwaarschriften te laat zijn ingediend.

De Raad kan zich echter niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank heeft ten aanzien hiervan overwogen dat betrokkenen zo spoedig mogelijk, in de regel binnen twee weken, nadat zij van de oorspronkelijke correctienota's op de hoogte waren alsnog bezwaar hadden moeten maken. De rechtbank heeft vervolgens als uitgangspunt genomen de niet aangetekende verzending van 18 februari 2004 en de binnen twee weken nadien verzonden brief van 27 februari 2004, waarin betrokkenen van appellant tot 17 maart 2004 de tijd hebben gekregen bezwaar in te stellen. Naar het oordeel van de Raad is de rechtbank bij haar beoordeling er aan voorbijgegaan dat de besluiten bij aangetekend schrijven van 24 en 29 december 2003 rechtsgeldig aan betrokkenen bekend zijn gemaakt en dat slechts door eigen toedoen van betrokkenen de bezwaartermijn
ongebruikt is verstreken. Dat de na afloop van de bezwaartermijn verzonden brieven van 18 en 27 februari 2004 bij betrokkenen eventueel voor verwarring hebben gezorgd met betrekking tot de bezwaartermijn kan naar het oordeel van de Raad niet betekenen dat hierdoor sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal de inleidende beroepen alsnog ongegrond verklaren.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de inleidende beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2006.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x