Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   CSV
x
LJN:
x
BA7229
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-05-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Verzoek om proceskostenveroordeling na intrekking van het hoger beroep door het UWV. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid die tot afwijking van de limitatieve en forfaitaire tarieven noopt.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 06/430 CSV




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 21a van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 december 2005, 05/2429 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[verzoekster], thans verzoekster,

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 30 mei 2007.




I. PROCESVERLOOP


Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Namens verzoekster heeft A.J. Nieuwenhout, federatiebelastingadviseur te ’s-Gravenhage, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 15 juni 2006 door een enkelvoudige kamer van de Raad. Vervolgens is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Bij brief van 13 december 2006 heeft het Uwv het hoger beroep ingetrokken.

Bij brief van 25 januari 2007 is namens verzoekster verzocht om een integrale proceskostenveroordeling onder overlegging van een kostenopgave. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 12 februari 2007 heeft verzoekster hierop gereageerd. Het Uwv heeft op 20 februari 2007 nog een reactie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting van het verzoek om proceskostenveroordeling heeft plaatsgevonden op 18 april 2007. Daar is voor verzoekster verschenen A.J. Nieuwenhout en heeft het Uwv, daartoe ambtshalve opgeroepen, zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. OVERWEGINGEN


Artikel 21a, eerste lid, eerste volzin, van de Beroepswet bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht kan worden veroordeeld in de kosten.

Verzoekster heeft verzocht om het Uwv te veroordelen in de werkelijk gemaakte proceskosten in beroep en in hoger beroep.

De Raad stelt voorop dat het verzoek moet worden afgewezen voor zover dat betrekking heeft op de in eerste aanleg gemaakte proceskosten. De rechtbank heeft het Uwv bij de aangevallen uitspraak al veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 644,--. Aangezien verzoekster geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak en het Uwv het hoger beroep heeft ingetrokken, heeft deze uitspraak gezag van gewijsde gekregen. De Raad is daarom niet meer bevoegd om het Uwv bij afzonderlijke uitspraak in de werkelijk gemaakte proceskosten met betrekking tot de procedure in eerste aanleg te veroordelen.

In artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is bepaald dat in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid van het Bpb. De toelichting bij het Bpb vermeldt dat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de regeling onrechtvaardig kan uitpakken en dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding kan verhogen of verlagen. Benadrukt wordt dat het werkelijk gaat om uitzonderingen, waarbij als voorbeeld wordt genoemd een geval waarin de burger door gebrekkige informatieverstrekking door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd.

Naar het oordeel van de Raad kan hetgeen verzoekster heeft aangevoerd ter ondersteuning van haar standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden als hier bedoeld, waarbij zij vooral heeft gewezen op de proceshouding van het Uwv, niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die tot afwijking van de limitatieve en forfaitaire tarieven noopt. De Raad merkt in dit verband nog op dat voor het oordeel dat sprake is geweest van ernstig onzorgvuldig handelen van het bestuursorgaan zoals aan de orde was in de door verzoekster genoemde uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 augustus 2003, LJN AJ6870, in de gedingstukken geen enkel aanknopingspunt is te vinden.

Gezien het voorgaande komt ook het verzoek om het Uwv met toepassing van artikel 21a van de Beroepswet te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep niet volledig voor inwilliging in aanmerking. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in verband met het indienen van een verweerschrift en het verschijnen ter zitting van 15 juni 2006. Daarbij merkt de Raad op dat er in het kader van de behandeling van een verzoek om toepassing van artikel 21a van de Beroepswet geen plaats is voor een veroordeling in de kosten van die procedure op zich.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 644,00, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2007.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A.C. Palmboom.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. CSV | CSV | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x