Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wazo
x
LJN:
x
BA4303
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-04-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning van een Wazo-uitkering over de perioden in geding in verband met zwangerschap en bevalling, onder de overweging dat de vier gewerkte dagen in de zesde en de vijfde week voorafgaand aan de vermoedelijke bevallingsdatum dagen zijn waarover betrokkene ZW-uitkering heeft genoten en aangemerkt moeten worden als dagen waarop zij zwangerschapsverlof heeft genoten, zodat deze dagen bij de vaststelling van de periode van het bevallingsverlof buiten beschouwing moeten worden gelaten. Gehanteerde maatstaf voor de vaststelling van de duur van het bevallingsverlof.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/2632 WAZO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 april 2005, 04/3146 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

Datum uitspraak: 18 april 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. W.H.J.M. Feliks een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Croes. Voor betrokkene is verschenen mr. W.H.J.M. Feliks.




II. OVERWEGINGEN


Betrokkene is in 2000 in dienst getreden van [werkgever] te [vestigingsplaats] (werkgever) in de functie van managementassistente voor 32 uur per week (4 dagen per week).

In de verklaring van 7 april 2004 van de verloskundige is aangegeven dat betrokkene op 29 juni 2004 haar kind verwacht.

Op het formulier van 15 april 2004 heeft de werkgever aangifte gedaan van arbeidsongeschiktheid van betrokkene onder vermelding dat zij per 19 april 2004 voor 50% arbeidsongeschikt is ten gevolge van zwangerschap.

In de periode van 19 april 2004 tot 2 juni 2004 heeft betrokkene 16 uur per week (twee dagen per week) gewerkt.

Met ingang van 19 april 2004 is betrokkene een uitkering ingevolge artikel 29a, tweede lid, van de Ziektewet (ZW) toegekend ter hoogte van 100% van haar dagloon. De uitkering is in verband met het over de gewerkte dagen genoten loon voor 50% uitbetaald.

Betrokkene is met ingang van 2 juni 2004 gestopt met werken in verband met zwangerschapsverlof.

Op 8 juli 2004 is zij bevallen van haar kind.

Bij besluit van 6 september 2004 is betrokkene op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo) een uitkering in verband met zwangerschap toegekend over de periode van 2 juni 2004 tot en met 8 juli 2004 en een uitkering in verband met bevalling over de periode van 9 juli 2004 tot en met 17 september 2004.

Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van 12 november 2004 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en - met beslissingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht - appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

In de aangevallen uitspraak is overwogen dat betrokkene alleen over de niet-gewerkte dagen in de zesde week en de vijfde week voorafgaand aan de vermoedelijke bevallingsdatum ZW-uitkering heeft genoten en dat derhalve alleen die dagen moeten worden aangemerkt als dagen waarover zij ingevolge artikel 3:1, vierde lid, van de Wazo zwangerschapsverlof heeft genoten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant bij de vaststelling van de duur van het bevallingsverlof een onjuiste maatstaf gehanteerd.

Appellant heeft het standpunt ingenomen dat de vier gewerkte dagen in de zesde en de vijfde week voorafgaand aan de vermoedelijke bevallingsdatum dagen zijn waarover betrokkene ziekengeld heeft genoten en aangemerkt moeten worden als dagen waarop zij zwangerschapsverlof heeft genoten.

Betrokkene heeft gesteld dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad overweegt als volgt.

In artikel 3:7, eerste lid, van de Wazo is bepaald dat de vrouwelijke werknemer gedurende de periode dat het zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, recht heeft op uitkering.

Ingevolge artikel 3:1, derde lid, van de Wazo gaat het bevallingsverlof in op de dag na de bevalling en bedraagt het bevallingsverlof tien aaneengesloten weken vermeerderd met het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof tot en met de vermoedelijke datum van bevalling, dan wel, indien eerder gelegen, tot en met de werkelijke datum van bevalling, minder dan zes weken heeft bedragen.

In het vierde lid van artikel 3:1 van de Wazo is bepaald dat voor de toepassing van het derde lid dagen waarover de vrouwelijke werknemer op grond van artikel 29a, tweede lid, van de ZW ziekengeld heeft genoten in de periode dat zij recht heeft op zwangerschapsverlof, maar dat verlof nog niet is ingegaan, aangemerkt worden als dagen waarover zij zwangerschapsverlof heeft genoten.

Naar het oordeel van de Raad volgt uit de systematiek van de ZW dat betrokkene op alle dagen in de periode vanaf 19 april 2004 waarop zij (voortdurend) ongeschikt was voor haar volledige eigen werk, recht had op ZW-uitkering. Betrokkene heeft de ZW-uitkering over de periode van 19 april 2004 tot 2 juni 2004 - vier weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum - ook daadwerkelijk genoten.

Daaraan doet niet af dat zij in die periode twee dagen per week heeft gewerkt en over die dagen loon heeft ontvangen. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, brengt de omstandigheid dat de uitkering in verband met genoten inkomsten ingevolge artikel 31, tweede lid, van de ZW slechts voor 50% is uitbetaald, niet mee dat betrokkene alleen over de niet-gewerkte dagen ZW-uitkering zou hebben genoten en niet tevens over de gewerkte dagen.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is in dit verband de vraag of het aanmerken van gewerkte dagen als ziektedagen strijdig zou zijn met “de maatschappelijke realiteit” - wat daar ook van zij - niet rechtens relevant.

De Raad concludeert dat de dagen in de zesde week en de vijfde week voorafgaand aan de vermoedelijke bevallingsdatum waarop betrokkene heeft gewerkt - evenals die waarop zij niet heeft gewerkt - dagen zijn waarover zij ziekengeld heeft ontvangen zodat deze moeten worden aangemerkt als dagen waarop zij zwangerschapsverlof heeft genoten. Hieruit volgt dat appellant terecht deze dagen bij de vaststelling van de periode van het bevallingsverlof buiten beschouwing heeft gelaten.

De Raad verwerpt hetgeen betrokkene overigens bij de rechtbank tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd. De Raad ziet niet in dat geen sprake zou zijn van een eenduidige uitvoering van de ZW doordat de uitkering slechts voor 50% is uitbetaald, terwijl betrokkene voor de toepassing van die wet volledig arbeidsongeschikt was. Gelet op de hiervoor aangehaalde systematiek van de ZW is van een tegenstrijdigheid in de door betrokkene geschetste uitvoeringswijze geen sprake.

De stelling van betrokkene dat zij, afgaande op telefonisch en via de internetsite van het Uwv ingewonnen informatie, erop mocht vertrouwen dat het zwangerschapsverlof eerst vier weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum zou ingaan verwerpt de Raad nu niet is gebleken van enige daartoe strekkende schriftelijke ongeclausuleerde toezegging van het Uwv.

Voor aanvaarding van betrokkenes stellingen dat de besluitvorming willekeurig is en met vooringenomenheid tot stand zou zijn gekomen, ziet de Raad geen grond. Anders dan door betrokkene gesteld, is appellant in het bestreden besluit en ook anderszins op haar geval ingegaan.

Van een overschrijding van de termijn voor het nemen van de beslissing op het bezwaarschrift van 8 september 2004, was - nog daargelaten of aan een overschrijding daarvan gevolgen zouden moeten worden verbonden - geen sprake nu het bestreden besluit op 12 november 2004 is genomen en die termijn ingevolge artikel 3:16, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wazo in verbinding met artikel 74 van de ZW op 12 november 2004 nog niet was verstreken.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Nu voorts de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, komt de Raad aan beantwoording van de vraag die partijen mede verdeeld hield, namelijk of sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, niet toe.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en M.C.M. van Laar en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 april 2007.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) P. van der Wal.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wazo | Wazo | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x