Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Ioaz
x
LJN:
x
AK3414
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-08-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Valt de ontvangen uitkering ingevolge de Duitse wetgeving onder het inkomen dat in het Inkomensbesluit Ioaw wordt genoemd en waarmee derhalve bij de vaststelling van de Ioaz-uitkering rekening mag worden gehouden?
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/717 NIOAZ en 01/724 NIOAZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant 1] en [appellante 2], beiden wonende te [woonplaats], appellanten,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlagtwedde, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellanten heeft mr. A.F. van den Berg, juridisch medewerker van het Bureau voor Rechtshulp te Assen, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de president van de rechtbank Groningen op 2 januari 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad zijn namens appellanten nog enige stukken in het geding gebracht.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 22 juli 2003, waar partijen - zoals aangekondigd - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Appellant [appellant 1] (hierna: [appellant 1]) ontving sedert 23 november 1998 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz), berekend naar de grondslag voor een alleenstaande. Nadat [appellant 1] aan gedaagde te kennen had gegeven dat hij met ingang van 1 januari 2000 samenwoont met appellante [appellante 2] (hierna: [appellante 2]), heeft gedaagde de betaling van de uitkering vanaf 1 januari 2000 opgeschort en onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de uitkering van [appellant 1]. Op grond van de bevindingen van dat onderzoek heeft gedaagde geconcludeerd dat [appellant 1] sedert 30 september 1999 met [appellante 2] een gezamenlijke huishouding voert en dat er sedertdien geen recht op Ioaz-uitkering bestaat op grond van het gezamenlijke inkomen.

Bij besluit van 30 juni 2000 heeft gedaagde de uitkering ingevolge de Ioaz van [appellant 1] met ingang van 30 september 1999 ingetrokken op de grond hij vanaf die datum met [appellante 2] een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Ioaz en daarvan aan gedaagde ten onrechte niet tijdig mededeling heeft gedaan. Tevens heeft gedaagde bij dat besluit de als gevolg hiervan gedurende de periode van 30 september 1999 tot en met 31 december 1999 betaalde uitkering tot een bedrag van f 4.916,03 van [appellant 1] en mede van [appellante 2] teruggevorderd.

Bij besluit van 24 juli 2000 heeft gedaagde aan [appellant 1] een boete opgelegd van f 750,-- wegens schending van de op hem rustende inlichtingenplicht.

Bij besluit van 10 oktober 2000 is het namens [appellant 1] tegen de intrekking, de terugvordering en de boete gemaakte bezwaar en het namens [appellante 2] gemaakte bezwaar tegen de terugvordering mede van haar ongegrond verklaard. Gedaagde heeft hierbij onder meer overwogen dat met het inkomen van [appellante 2] bij de vaststelling van de Ioaz-uitkering van [appellant 1] rekening wordt gehouden op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, van het op de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) gebaseerde Inkomensbesluit Ioaw.

Bij de aangevallen uitspraak is, voorzover van belang, het namens [appellant 1] en [appellante 2] tegen het besluit van 10 oktober 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer geoordeeld dat [appellant 1] en [appellante 2] met ingang van 30 september 1999 een gezamenlijke huishouding voeren en dat met de inkomsten van [appellante 2] bij de vaststelling van de Ioaz-uitkering van [appellant 1] met ingang van die datum terecht rekening is gehouden, zodat de Ioaz-uitkering van [appellant 1] terecht met ingang van 30 september 1999 is ingetrokken.



Het hoger beroep van [appellant 1]

Het oordeel van de president van de rechtbank dat [appellant 1] en [appellante 2] met ingang van 30 september 1999 een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Ioaz voeren is niet bestreden. Dat betekent dat zij ten tijde hier van belang voor de toepassing van de Ioaz als echtgenoten moesten worden aangemerkt. Hiervan uitgaande staat ter beoordeling van de Raad de tussen partijen in geschil zijnde vraag of de president van de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het inkomen van [appellante 2] als inkomen in verband met arbeid in aanmerking moest worden genomen. Naar de mening van [appellant 1] en [appellante 2] betreft de door [appellante 2] ontvangen uitkering ingevolge de Duitse wetgeving inkomen dat niet in het Inkomensbesluit Ioaw wordt genoemd en waarmee derhalve bij de vaststelling van de Ioaz-uitkering van [appellant 1] geen rekening mag worden gehouden. De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ioaz bepaalt dat als inkomen wordt aangemerkt voor de gewezen zelfstandige en de echtgenoot: de som van het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven van hemzelf en zijn echtgenoot. Ingevolge artikel 8, derde lid, van de Ioaz worden bij algemene maatregel van bestuur nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld met betrekking tot het inkomen, bedoeld in het eerste lid van dat artikel en in artikel 5, tweede en derde lid. De desbetreffende algemene maatregel van bestuur is het Inkomensbesluit Ioaz. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Ioaz bedraagt de uitkering het verschil tussen de van toepassing zijnde grondslag en het inkomen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het Inkomensbesluit Ioaz wordt onder inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven verstaan: het inkomen als bedoeld in artikel 7 van het Inkomensbesluit Ioaw, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel q, met dien verstande dat hieronder mede wordt verstaan een uitkering op grond van de Ioaw. Artikel 7, eerste lid, van het Inkomensbesluit Ioaw, bepaalt dat onder inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven wordt verstaan:
(a) een uitkering op grond van de verplichte verzekering van de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, of aanvullende uitkeringen op grond van hoofdstuk III, Afdeling III, van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Stb. 1986, 567), alsmede uitkeringen die naar aard en strekking daarmede overeenkomen;
(...)
(d) een uitkering op grond van een buitenlandse wettelijke sociale verzekeringsregeling, voor zover niet begrepen onder a,
(...).
Uit de gedingstukken blijkt dat aan [appellante 2] bij besluit van 16 juli 1986 door het Bundesversicherungsanstalt für Angestellte met ingang van 1 september 1986 een zogeheten Hinterbliebenenrente is toegekend. Blijkens dit besluit betreft deze rente uitkering op grond van een sociale verzekeringsregeling ingevolge de Duitse wetgeving. Nu deze uitkering niet valt onder de opsomming van uitkeringen onder a van het eerste lid van artikel 7 van het Inkomensbesluit Ioaw genoemde wetten en evenmin een uitkering is die naar aard en strekking daarmee overeenkomt, is deze Hinterbliebenenrente door gedaagde terecht aangemerkt als een uitkering als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder d, van het Inkomenbesluit Ioaw.

Gelet hierop heeft gedaagde de Hinterbliebenenrente van [appellante 2] terecht aangemerkt als in aanmerking te nemen inkomen in verband met arbeid. Onbetwist is dat de hoogte van de uitkering van [appellante 2] meer bedroeg dan de van toepassing zijnde grondslag. Aangezien [appellant 1] van het voeren van een gezamenlijke huishouding met [appellante 2] vanaf 30 september 1999 niet onverwijld uit eigen beweging mededeling heeft gedaan aan gedaagde, is hij de in artikel 13, eerste lid, van de Ioaz neergelegde inlichtingenplicht niet naar behoren nagekomen. Gedaagde heeft dan ook terecht met toepassing van artikel 17, derde lid, van de Ioaz het recht op uitkering ingevolge die wet van [appellant 1] met ingang van 30 september 1999 ingetrokken. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien is de Raad niet gebleken.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat met betrekking tot de periode van 30 september 1999 tot en met 31 december 1999 is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering met toepassing van artikel 25, eerste lid, van de Ioaz. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is de Raad niet gebleken.

Met betrekking tot de boete overweegt de Raad als volgt.

Gedaagde heeft ingevolge artikel 3 van het destijds geldende Besluit tarieven administratieve boeten Abw, Ioaw en Ioaz een boete opgelegd van f 750,-- (15% van het benadelingsbedrag van f 4.916,03, naar boven afgerond op een veelvoud van f 25,--). Ingevolge artikel 2, eerste en tweede lid, van het Boetebesluit (Stb. 2000, 462) wordt de boete vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat de boete naar boven wordt afgerond op een veelvoud van € 11,-- en wordt vastgesteld op tenminste € 45,--. Nu vaststaat dat het vanaf 1 februari 2001 geldende Boetebesluit voorziet in een lagere boete dan waartoe gedaagde heeft besloten, leidt, zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 1 maart 2000, gepubliceerd in RSV 2000/87 en USZ 2000/113, artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, ertoe dat het besluit van 10 oktober 2000 niet in stand kan blijven voorzover dat betrekking heeft op de opgelegde boete.

De Raad acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met betrekking tot de boete zelf in de zaak te voorzien. Toepassing van artikel 20a van de Ioaz in verbinding met artikel 2, eerste en tweede lid, van het Boetebesluit brengt mee dat in het onderhavige geval de boete moet worden vastgesteld op € 231,--, zijnde 10% van f 4.916,03, naar boven afgerond op een veelvoud van € 11,--.

De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op grond van de ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging aan [appellant 1] kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert, de boete op een ander bedrag dan € 231,-- moet worden vastgesteld. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van het opleggen van een boete af te zien is de Raad niet gebleken.

[appellant 1] heeft verzocht gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente op grond van artikel 8:73 van de Awb. De onrechtmatigheid van het besluit tot het opleggen van een boete van f 750,-- is komen vast te staan. Voorts staat vast dat [appellant 1] door dat besluit renteschade heeft geleden, nu hij deze boete inmiddels heeft voldaan. Aangezien niet is gebleken van bijzondere omstandigheden rust op gedaagde de verplichting die schade te vergoeden op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek. Het bedrag waarover wettelijke rente moet worden berekend bedraagt het verschil tussen het bedrag van de door [appellant 1] aan gedaagde betaalde boete en € 231,--. De eerste dag waarop wettelijke rente verschuldigd is moet worden gesteld op de dag waarop het bedrag van de door [appellant 1] betaalde boete van zijn bankrekening is gedebiteerd. Bij de berekening van de wettelijke rente dient telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van [appellant 1]. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.288,--.



Het hoger beroep van [appellante 2]

Nu, gelet op het vorenoverwogene, vaststaat dat de uitkering van [appellant 1] met inachtneming van artikel 3 van de Ioaz had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat [appellant 1] de ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Ioaz op hem rustende inlichtingenplicht niet is nagekomen, is gegeven dat ten aanzien van [appellante 2] is voldaan aan de voorwaarden van terugvordering met toepassing van artikel 26, tweede lid, van de Ioaz.

Gedaagde was derhalve gehouden het bedrag van de ten onrechte aan [appellant 1] betaalde uitkering ingevolge de Ioaz mede van [appellante 2] terug te vorderen. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering ten aanzien van [appellante 2] af te zien, is de Raad niet gebleken.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Met betrekking tot het hoger beroep van [appellant 1]

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 10 oktober 2000, voorzover betrekking hebbend op de opgelegde boete;
Bepaalt dat aan [appellant 1] een boete wordt opgelegd van € 231,--;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van renteschade en van proceskosten van [appellant 1] als hiervoor in rubriek II is aangegeven, te betalen door de gemeente Vlagtwedde aan [appellant 1];
Bepaalt dat de gemeente Vlagtwedde aan [appellant 1] het betaalde griffierecht van in totaal € 104,37 (f 230,--) vergoedt.

Met betrekking tot het hoger beroep van [appellante 2]

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2003.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Ioaz | Ioaz | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Š Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x