Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Ioaz
x
LJN:
x
BA0147
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-03-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking van de Ioaz-uitkering wegens gezamenlijke huishouding. Betrokkene stelt een deel van zijn woning te verhuren. Is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg? Het bestreden besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid en berust niet op een deugdelijke motivering. Alleen indien betrokkene bij een nader onderzoek naar de woon- en leefsituatie geen of geen toereikende inlichtingen zou hebben verschaft, had kunnen worden overgegaan tot intrekking van de uitkering op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in welke omvang recht op uitkering bestaat.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 06/1627 NIOAZ




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Cranendonck (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank s-Hertogenbosch van 27 januari 2006, 05/897 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 6 maart 2007.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.J.D.D. Burhenne, advocaat te Weert, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door F.C.M. van Berlo, werkzaam bij de gemeente Cranendonck. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Burhenne.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Betrokkene, geboren in 1951, ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. In aanvulling daarop ontving hij vanaf 1 januari 1991 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) naar de norm voor gehuwden.
Op 2 mei 2004 heeft betrokkene zijn woning verkocht aan zijn zoon. Betrokkene is in de woning blijven wonen maar zijn ex-echtgenote heeft die op 2 juni 2004 verlaten. De Ioaz-uitkering van betrokkene is vervolgens ingaande 2 juni 2004 herzien naar de norm voor een alleenstaande.

In een brief, gevoegd bij het rechtmatigheidsonderzoeksformulier Ioaw/Ioaz over de maand juni 2004, heeft betrokkene vermeld dat hij per 29 juni 2004 een gedeelte van zijn woning - een kamer - als zelfstandige woonruimte verhuurt aan V. [C.] (hierna: [C.]), geboren in 1984.

Daarin heeft appellant aanleiding gezien een onderzoek in te stellen met betrekking tot de vraag of betrokkene met [C.] een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Ioaz. In verband daarmee is betrokkene op 24 november 2004 opgeroepen voor een deelonderzoek en is aan de zoon van betrokkene om inlichtingen gevraagd. De resultaten van een en ander zijn neergelegd in een rapport van 13 december 2004.

Op het rechtmatigheidsonderzoeksformulier Ioaw/Ioaz over de maand november 2004 heeft betrokkene vermeld per 1 december 2004 met [C.] te gaan samenwonen. Ter toelichting daarop heeft hij bij brief van 2 december 2004 aangegeven dat hij geen relatie met [C.] heeft maar dat zij voor hem kookt en wast, hetgeen volgens de mededeling van de medewerkers van appellant met wie hij op 24 november 2004 heeft gesproken, impliceert dat van een gezamenlijke huishouding in de zin van de Ioaz sprake is.
Bij besluit van 16 december 2004 heeft appellant de uitkering ingevolge de Ioaz van betrokkene met ingang van 1 december 2004 beindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat het recht op uitkering met ingang van 1 december 2004 niet langer kan worden beoordeeld.

Betrokkene heeft tegen het besluit van 16 december 2004 bezwaar gemaakt in het kader waarvan hij naar voren heeft gebracht dat [C.] slechts incidenteel, wanneer hij ziek is, voor hem kookt en wast.

Op 17 januari 2005 is betrokkene gehoord door de Bezwaarschriftencommissie Maatschappelijke Zorg, waarna op 20 januari 2005 een huisbezoek bij betrokkene is afgelegd waarover is gerapporteerd.

Bij besluit van 4 maart 2005 is het tegen het besluit van 16 december 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het besluit van 4 maart gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 16 december 2004 herroepen en bepaald dat (thans) appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van het in de uitspraak overwogene.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In het onderhavige geval heeft betrokkene, nadat hem ingaande 2 juni 2004 een uitkering ingevolge de Ioaz naar de norm voor een alleenstaande was toegekend, meegedeeld dat [C.] per 29 juni 2004 in de woning waarin ook hij woont, zelfstandige woonruimte in de vorm van een kamer huurt. Voorts heeft hij op 24 november 2004 kenbaar gemaakt dat [C.] voor hem kookt en wast. Verder heeft hij op het rechtmatigheidsonderzoeksformulier Ioaw/Ioaz over de maand november 2004 vermeld dat hij met ingang van 1 december 2004 met [C.] is gaan samenwonen, welke vermelding, aldus betrokkene, moet worden gezien in het licht van de mededeling van de medewerkers van appellant tijdens het gesprek op 24 november 2004 dat indien [C.] voor hem kookt en wast, sprake is van het voeren van een gezamenlijke huishouding in de zin van de Ioaz. Voorts heeft betrokkene aangegeven, en ook appellant gaat daar vanuit, dat [C.] niet beschikte over inkomsten om in haar levensonderhoud te voorzien.

In verband met de op grond van voormelde gegevens gerezen onduidelijkheid of betrokkene al dan niet met [C.] een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Ioaz voert, had appellant, gelet ook op de uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voortvloeiende onderzoeksplicht, betrokkene nader dienen te bevragen. Een besluit waarbij een uitkering wordt ingetrokken is immers een belastend besluit, zodat op appellant de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of betrokkene niet langer voldoet aan de voorwaarden om voor die uitkering in aanmerking te komen. Een nader onderzoek naar de woon- en leefsituatie van betrokkene en [C.] en naar met name de vraag of sprake was van wederzijdse zorg als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Ioaz had dan ook niet achterwege mogen blijven. Alleen indien betrokkene dan geen of geen toereikende inlichtingen zou hebben verschaft, had appellant over kunnen gaan tot intrekking van de uitkering van betrokkene op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke omvang, recht op uitkering bestaat.

Tot een zodanig nader onderzoek is het evenwel niet gekomen. Uit de rapportage over het gesprek op 24 november 2004 noch uit het verslag van het huisbezoek op 20 januari 2005 blijkt dat aan betrokkene inlichtingen zijn gevraagd over de vraag of tussen hem en [C.] sprake was van wederzijdse zorg als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Ioaz. Voorts kan het betrokkene in het kader van de inlichtingenverplichting niet worden tegengeworpen dat hij niet bereid was tijdens het op 20 januari 2005 gehouden huisbezoek de woonruimte van [C.] te tonen, toestemming te geven bij haar aan te kloppen en haar te vragen of zij de medewerkers van appellant wilde ontvangen. Betrokkene maakt immers aanspraak op een uitkering naar de norm voor een alleenstaande en niet valt in te zien op grond waarvan hij gehouden zou zijn de woonruimte van [C.] te tonen of haar te vragen de medewerkers van appellant te ontvangen. Overigens had appellant op grond van artikel 45, vierde lid, aanhef en onder b, van de Ioaz aan [C.] zelf wl om de door hem noodzakelijk geachte inlichtingen kunnen vragen.

Gelet op het vorenoverwogene is de Raad met de voorzieningenrechter van de rechtbank van oordeel dat het besluit van 4 maart 2005 niet voldoende zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering. Naar het oordeel van de Raad heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 maart 2005 dan ook terecht gegrond verklaard en dat besluit terecht vernietigd. Eveneens heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het besluit van 16 december 2004 terecht herroepen, nu dat besluit op dezelfde onhoudbaar gebleken grond berust. In zoverre dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd. Aangezien de voorzieningenrechter van de rechtbank het besluit van 16 december 2004 heeft herroepen, is er, gelet op het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb evenwel geen plaats voor de bepaling dat appellant een nieuw besluit met inachtneming van de uitspraak dient te nemen. De aangevallen uitspraak dient dan ook in zoverre te worden vernietigd.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op 644,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten behoudens voorzover daarbij appellant is opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;
Vernietigt de aangevallen uitspraak in zoverre;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van 644,--, te betalen door de gemeente Cranendonck aan de griffier van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.M.A van der Kolk-Severijns en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2007.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A.C. Palmboom.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Ioaz | Ioaz | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x