Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Osv 1997
x
LJN:
x
AP7998
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-06-2004
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Indeling in een andere sector. Overschrijding van de bezwaartermijn.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 04/785 OSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiser], h.o.d.n. [naam eenmanszaak], gevestigd te [vestigingsplaats], eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 3 september 2003 heeft verweerder eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen het besluit van 14 april 2003, waarbij eiser er van in kennis is gesteld dat hij met ingang van 1 maart 2003 is heringedeeld van sector 41. Groothandel I, bij sector 12. Metaal- en technische bedrijfstakken.

Tegen dat besluit heeft eiser op bij beroepschrift van 24 september 2003 (met bijlagen) aangevoerde gronden beroep ingesteld bij de Raad.

Verweerder heeft een verweerschrift, gedateerd 6 januari 2004 ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 mei 2004, waar eiser in persoon is verschenen met D.L.H. van der Heijden, administrateur van eiser, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen oor R.J.L. van Wijk, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.




II. MOTIVERING


De Raad ontleent aan de gedingstukken de volgende feiten en omstandigheden, die door partijen niet worden betwist.

Bij brief van 14 april 2003 heeft verweerder eiser meegedeeld dat eiser, die ingedeeld was bij de sector 041, Groothandel I, per 1 maart 2003 is ingedeeld bij sector 012, Metaal- en Technische bedrijfstakken. In deze brief was een bezwaarschriftclausule opgenomen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt op 10 juli 2003. Bij brief van 25 juli 2003 heeft verweerder eiser verzocht aan te geven waarom het bezwaarschrift niet binnen de wettelijk gestelde termijn van zes weken na dagtekening van de bestreden beslissing is ingediend. Bij brief van 28 juli 2003 heeft eiser weliswaar onderkend dat te laat bezwaar is ingesteld, maar hij beroept zich in deze op een overmachtsituatie bestaande uit de omstandigheid dat van der Heijden, voornoemd, eerst per 1 mei 2003 in dienst is getreden bij [naam eenmanszaak] en de taken van administrateur vervult binnen de organisatie, waardoor deze pas in een later stadium het schrijven van verweerder waarin de sectorwijziging stond aangekondigd onder ogen heeft gekregen. Daarnaast voert hij aan dat [naam eenmanszaak] een nieuw bedrijf is dat bekend moet raken met alle facetten van het runnen van een bedrijfshuishouding. Verweerder heeft bij op bezwaar genomen besluit van 3 september 2003 besloten eiser niet-ontvankelijk te verklaren aangezien eiser zonder gegronde redenen niet binnen de gestelde termijn bezwaar heeft aangetekend. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de door eiser aangegeven redenen voor de te late indiening van het bezwaar niet voldoende zijn om te kunnen spreken van een verschoonbare termijnoverschrijding.

De Raad overweegt als volgt.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of verweerder eiser bij besluit van 3 september 2003 op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat eiser bij het instellen van bezwaar de ingevolge de artikelen 6:7, 6:8, 6:9, en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gestelde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift van zes weken, niet in acht heeft genomen, en dat niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat eiser niet in verzuim is geweest.

De Raad stelt vast dat het bezwaarschrift ruimschoots te laat is ingediend. Met verweerder is de Raad van oordeel dat de door eiser aangevoerde argumenten voor het te laat indienen van het bezwaarschrift in de bezwaarprocedure niet steekhoudend zijn om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Deze argumenten liggen in de risicosfeer van eiser en eventuele gevolgen daarvan dienen voor rekening en risico van eiser te komen. Daarbij tekent de Raad ook nog aan dat op het moment dat Van der Heijden, voornoemd, in dienst trad, er nog voldoende tijd was om binnen de geldende termijn bezwaar aan te tekenen.

Dit betekent dat het beroep van eiser niet kan slagen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Osv 1997 | Osv 1997 | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x