Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Osv 1997
x
LJN:
x
AR8124
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-12-2004
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het bezwaar tegen de afrekeningsnota 2001 is aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek naar de sectorindeling. Verzoek om terug te komen van een eerder besluit.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/6021 OSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiseres], gevestigd te [woonplaats], eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan het Lisv.

Namens eiseres heeft P.F. Deckers AA., werkzaam bij Deckers & Partners accountants en belastingadviseurs te Oosterhout, als gemachtigde van eiseres bij de Raad beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 26 november 2002, waarbij het bezwaar tegen verweerders indelingsbeslissing van 9 augustus 2002 ongegrond werd verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 7 oktober 2004. Aldaar heeft eiseres zich doen vertegenwoordigen door haar directeur J. Heurter, bijgestaan door P.F. Deckers, voornoemd, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door R.J.L. van Wijk, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 23 augustus 2001 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij per 13 augustus 2001 is aangesloten bij de sector uitzendbedrijven, risicopremiegroep Uitzendbedrijven IIa, middenklasse. Eiseres heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

Eiseres heeft op 10 mei 2002 bezwaar gemaakt tegen de aan haar opgelegde afrekeningsnota 2001, in welk bezwaar verweerder aanleiding heeft gezien een nader onderzoek in te stellen met betrekking tot de indeling van eiseres. Verweerder heeft vervolgens bij brief van 9 augustus 2002 aan eiseres medegedeeld de indeling bij de sector Uitzendbedrijven te zullen handhaven. Vervolgens heeft verweerder het in rubriek I vermelde besluit genomen.

De Raad overweegt als volgt.

Gelet op de inhoud en strekking van het bezwaarschrift van eiseres van 10 mei 2002, dient dit schrijven naar het oordeel van de Raad te worden aangemerkt als een verzoek aan verweerder om terug te komen van zijn besluit van 23 augustus 2001. Verweerder heeft naar aanleiding van dat verzoek het oorspronkelijke besluit in volle omvang heroverwogen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat daaraan niet in de weg. Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het gebruik van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De Raad zal dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt nemen en zich beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Eiseres stelt geen uitzendbureau te zijn en uitsluitend werknemers in dienst te hebben genomen die werkzaam zijn voor [de vennootschap], aan welke onderneming eiseres gelieerd is. Volgens eiseres is sprake van een constructie die is ontstaan ten gevolge van een foutieve advisering van de vorige accountant. De Raad kan in het zijdens eiseres in beroep gestelde, noch in de overige gedingstukken nieuwe feiten of veranderde omstandigheden onderkennen. Verweerder had dan ook geen aanleiding behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad tenslotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 december 2004.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) W.J.M. Fleskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Osv 1997 | Osv 1997 | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x