Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Osv 1997
x
LJN:
x
AS2081
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-12-2004
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is het UWV terecht tot de conclusie gekomen dat het bedrijf behoorde te worden ingedeeld bij sector 3 Bouwbedrijf?
 
 
 

 

 
Uitspraak 03/4510 OSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 26 augustus 2003 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 24 oktober 2002, waarbij haar bedrijf met ingang van 1 januari 2003 is ingedeeld in sector 3. Bouwbedrijf, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft D. Meijer, werkzaam bij Romevo B.V. te Badhoevedorp, namens eiseres beroep ingesteld bij de Raad.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 november 2004, waar voor eiseres is verschenen D. Meijer. Verweerder heeft zich niet laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Eiseres is een onderneming die zich bezig houdt met:
- de verhuur van multifunctioneel inzetbare grondverzetmachines inclusief bedienend personeel voor de uitvoering van civieltechnische en cultuurtechnische werkzaamheden;
- het aannemen van grondverzetwerkzaamheden voor derden;
- het verrichten van agrarisch loonwerk bij boeren;
- het onderhoud aan bermen in opdracht van gemeenten en aannemers;
- in- en verhuur van multifunctioneel inzetbare grondverzet- en landbouwmachines zonder bedienend personeel;
- transportwerkzaamheden, zowel eigen vervoer als vervoer voor derden.
Eiseres was ingeschreven bij sector 1, Agrarische sector.

Bij het bestreden besluit van 26 augustus 2003 heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd dat eiseres dient te worden ingedeeld bij sector 3. Bouwbedrijf, omdat gebleken is dat in de jaren 2000 tot en met 2002 het grootste gedeelte van de omzet en verloning betrekking had op civieltechnische werkzaamheden, die zijn toe te rekenen aan sector 3. Bouwbedrijf.

Het beroep van eiseres richt zich met name tegen de wijze waarop verweerder tot deze vaststelling is gekomen. Eiseres heeft in dit verband gewezen op de algemene regel dat het verloonde bedrag gedurende drie jaren daarbij bepalend is. Naar de mening van eiseres heeft verweerder door af te gaan op de BTW-opgave miskend dat het in haar branche gebruikelijk is in plaats van het hoge of lage BTW-tarief in het algemeen de BTW-verleggingsregeling te hanteren. Eiseres is bovendien van oordeel dat het niet aan haar maar aan verweerder is om te bewijzen dat eiseres is aangesloten bij de verkeerde sector. Voorts heeft eiseres een beroep gedaan op de lijst Verplichtstelling van deelneming in de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid.

De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

Met ingang van 1 januari 2002 is de indeling van het bedrijfsleven in sectoren geregeld in de nieuwe artikelen 97k tot en met 97n, van de Werkloosheidswet (WW) en de op artikel 97k, van de WW gebaseerde ministeriële Regeling indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren. Tot deze datum was de indeling gebaseerd op de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997. Deze laatste wet is per 1 januari 2002 ingetrokken.

Artikel 97k, eerste lid, van de WW voorziet in de indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren, waarbij elke sector één of meer takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan omvat. De sectoren als evenbedoeld zijn nader omschreven in de Regeling indeling van het bedrijfs- en beroepsleven en de daarbij behorende Bijlage.

Ingevolge artikel 97l, eerste lid, van de WW is een werkgever van rechtswege aangesloten bij de krachtens artikel 97k, van de WW vastgestelde sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet verrichten. Ingevolge het tweede lid is een werkgever die werkzaamheden doet verrichten die behoren tot verschillende sectoren van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe de werkzaamheden behoren waarvoor hij als werkgever in de regel het grootste bedrag aan loon betaald of vermoedelijk zal betalen.

Op grond van de onderzoeksbevindingen, welke zijn neergelegd in het zogenoemde Basisdocument indelingen van 18 juli 2003, is de Raad met verweerder van oordeel dat eiseres een samengestelde onderneming is en dat de door eiseres ontplooide activiteiten voor het grootste gedeelte civieltechnische werkzaamheden betreffen. Daartoe overweegt hij het volgende.

Van een samengestelde onderneming is sprake wanneer een onderneming uit twee of meer afzonderlijke bedrijfsonderdelen bestaat, welke onderdelen als zodanig in het maatschappelijk leven optreden en dus voor de markt werkzaam zijn, dat wil zeggen aan derden producten of diensten bewijzen. In dat geval wordt de aansluiting van de werkgever bepaald door dat bedrijfsonderdeel, waarvoor in de regel het grootste bedrag aan loon wordt uitbetaald.

Aan de hand van de door eiseres overgelegde urenstaten van de werknemers over de periode 2000 tot en met 2002 was het niet mogelijk een koppeling te maken met de aard van de door de werknemers verrichte werkzaamheden, omdat deze niet op de staten waren vermeld. Evenmin was aan de hand van de door eiseres ter beschikking gestelde debiteuren- en facturenadministratie over de jaren 2000 tot en met 2002 vast te stellen welk gedeelte van de premieloonsom aan welk soort hierboven genoemde werkzaamheden diende te worden toegerekend. De Raad acht het onder deze omstandigheden niet onredelijk dat verweerder zich heeft gebaseerd op de vaststelling van omzetten van de verschillende activiteiten, meer in concreto op de vaststelling van de omzet per BTW-tarief. Immers, in beginsel moet elke ondernemer die goederen levert of diensten verricht BTW aangeven en betalen aan de Rijksbelastingdienst. De zogenaamde verleggingsregeling ziet specifiek op de bouwsector. Aan de hand van de door eiseres overgelegde en door eiseres zo genoemde ‘herrekeningen omzetbelasting 2000 tot en met 2002’ is verweerder vervolgens tot de conclusie gekomen dat de omzet in hoofdzaak civieltechnische werkzaamheden betreft, die zijn toe te rekenen aan sector 3. Bouwbedrijf. Deze conclusie wordt bevestigd door het in juli 2003 door verweerder ingestelde nader onderzoek naar de stortingen op de G-rekening van de werkgever over 2002 en 2003. Gemiddeld 64% daarvan betrof stortingen van opdrachtgevers uit de GWW-sector (sector 3. Bouwbedrijf).

Naar het oordeel van de Raad is verweerder op grond van deze gegevens terecht tot de conclusie gekomen dat eiseres ingedeeld behoorde te worden bij sector 3. Bouwbedrijf.

Eiseres heeft haar stelling dat zij de BTW-verleggingsregeling ook in de cultuurtechnische sfeer heeft toegepast niet met concrete verifieerbare gegevens onderbouwd. De Raad merkt hierbij nog op dat in het geval dat de administratie inzake de omzet van een bedrijf geen getrouw beeld geeft van de werkelijkheid, het aan eiseres is om dit laatste aan te tonen. Daarin is zij evenwel niet geslaagd.

Ter voorlichting aan eiseres wijst de Raad er voorts op dat gegeven de vigerende wet- en regelgeving en de op basis daarvan ter uitvoering gevolgde beleidsregels ter zake van indelingen het verweerder niet vrijstaat bij (her)indelingen van ondernemingen regelingen als de Verplichtstelling van deelneming in de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid te doen prevaleren.

Ten slotte ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans, als voorzitter, en mr. M.C.M. van Laar en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van W.J.M. Fleskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 december 2004.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) W.J.M. Fleskens.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Osv 1997 | Osv 1997 | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x