Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Osv 1997
x
LJN:
x
AX8682
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-06-2006
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht besloten het bedrijf in te delen bij de sector Uitzendbedrijven?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/1296 OSV




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [woonplaats], (hierna: appellante),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: verweerder).

Datum uitspraak: 1 juni 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellante is in beroep gekomen van het besluit van 31 oktober 2003 van verweerder (hierna: het besluit).

Verweerder heeft het ingenomen standpunt gehandhaafd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2006. Appellante heeft zich doen vertegenwoordigen door [R.R. v. H.] en [J.F.C.M. K.], respectievelijk directeur en groepscontroller van de B.V., bijgestaan door mr. P.M.T. Konings, advocaat te Tilburg. Verweerder heeft zich - zoals aangekondigd - niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de OSV [Osv 1997, red.], het Besluit indeling uitzendbedrijven en het Besluit datumbeleid indelingen zoals die luidden ten tijde hier van belang.

Bij het na bezwaar genomen besluit heeft verweerder de eerder genomen beslissing gehandhaafd om naar aanleiding van het verzoek van appellante van 16 november 2001 haar met ingang van 1 januari 2001 in te delen bij de sector Uitzendbedrijven, met de bedrijfstaknaam uitzendbedrijven 2b, nu - voor het grootste gedeelte - gewerkt werd met uitzendkrachten zonder uitzendbeding of met een beŽindigd uitzendbeding.

Appellante handhaaft in beroep haar standpunt dat de desbetreffende indeling reeds per 16 februari 1999 had behoren plaats te vinden.

De Raad stelt vast dat verweerder overeenkomstig de toepasselijke beleidsregels en het door haar gevoerde beleid bij een verzoek als het onderhavige de wijziging van herindeling in een later jaar met geen verdergaande terugwerkende kracht doet plaatsvinden dan per 1 januari van dat kalenderjaar. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat appellante niet kon weten dat de wijziging van de aard van de arbeidsverhouding binnen een maand na peildatum moest worden doorgegeven en eveneens dat appellante niet verwijtbaar in een verkeerde sector was ingedeeld. Tevens is hierbij in aanmerking genomen dat de directie van appellante nog medio 2001 schriftelijk heeft verklaard dat het uitzendbeding wel van toepassing was. De Raad acht onder deze omstandigheden de benadering van verweerder om de gewijzigde herindeling niet verder terug te leggen dan op 1 januari 2001 noch onjuist noch onzorgvuldig of onredelijk. De Raad oordeelt dat de omstandigheid dat de aard van de arbeidsverhouding en de daarbij overeengekomen bedingen zich in de praktijk anders hebben ontwikkeld dan de directie van appellante zelf bekend was voor rekening van haar komt en niet op verweerder kan worden afgewenteld. De Raad ziet overigens evenmin zodanige bijzondere omstandigheden ontleend aan het Besluit datumbeleid indelingen om op een ander vroeger tijdstip van gewijzigde sectorindeling dan 1 januari 2001 uit te komen. Dat, naar appellante stelt, metterdaad eerder aan de criteria voor andere arbeidsverhoudingen zal zijn voldaan en dat alsdan meerkosten van een zelfde indeling behoren te worden ontlopen, kan als zodanig gezien ook de algemeenheid van die grief volgens de Raad niet hieronder worden gebracht.

Gelet op het vorenstaande kan het besluit van verweerder gedragen worden door de motivering welke hieraan is gegeven en kan het beroep van appellante dan ook niet slagen.

De Raad ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Osv 1997 | Osv 1997 | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x