Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Osv 1997
x
LJN:
x
AZ1966
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-11-2006
Soort procedure: beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is het betrokken bedrijf terecht ingedeeld bij de sector 45 Zakelijke dienstverlening III?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/5632 OSV




U I T S P R A A K



  
in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: verweerder).

Datum uitspraak: 2 november 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellante heeft verweerder bij faxbericht van 18 januari 2005 verzocht om de indeling met ingang van 2004 te wijzigen van sector 44. Zakelijke Dienstverlening II in sector 45. Zakelijke Dienstverlening III.

Bij besluit van 5 september 2005 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de indelingsbeslissing van 20 juni 2005, waarbij de indeling ingaande 1 juli 2005 is gewijzigd, gegrond verklaard en appellante per 1 januari 2005 ingedeeld bij de sector 45. Zakelijke Dienstverlening III.

Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld bij de Raad.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting vond plaats op 31 augustus 2006, waar voor appellante is verschenen haar directeur [directeur] en verweerder zich met voorafgaand bericht niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Bij het bestreden besluit van 5 september 2005 heeft verweerder onder herroeping in zoverre van het besluit van 20 juni 2005 appellante alsnog per 1 januari 2005 ingedeeld in de sector 45. Zakelijke Dienstverlening III. Zoals blijkt uit het aan dit besluit ten grondslag liggende Basisdocument indelingen van 9 augustus 2005 stelt verweerder zich op het standpunt dat indeling van appellante per 1 maart 1997 in sector 44. gelet op haar activiteiten achteraf bezien onjuist is. Verweerder is van mening dat het foutief indelen op zichzelf geen nalatigheid vormt als bedoeld in beleidsregel d. van het in het Besluit datumbeleid indelingen (Stcrt. 1998, nr. 51) neergelegde datumbeleid, welke zonder meer dient te leiden tot herindeling met terugwerkende kracht. Uitgangspunt van het datumbeleid is volgens verweerder een gedeelde verantwoordelijkheid van werkgever en verweerder voor een (juiste) indeling, waarbij verweerder verantwoordelijk is voor het (her)indelen maar ook van de werkgever een actieve rol wordt verwacht met betrekking tot het signaleren van een mogelijk onjuiste indeling. In dit verband heeft verweerder geconstateerd dat appellante niet formeel in kennis is gesteld van de indeling per 1 maart 1997. Daarnaast moet het volgens verweerder als een nalatigheid als bedoeld in beleidsregel d. worden beschouwd dat bij een bij appellante in juli 2004 uitgevoerde looncontrole de bestaande niet-rechtmatig inschrijving bij sector 44. niet is gesignaleerd. Indien toen tot een andere sectorindeling was geconcludeerd, was de aangewezen herindeling al per 1 januari 2005 doorgevoerd. Een en ander heeft verweerder geleid tot het toekennen van een beperkte terugwerkende kracht aan de herindeling en vaststelling van de wijzigingsdatum op 1 januari 2005.

In beroep stelt appellante zich op het standpunt dat de gewijzigde indeling op 1 januari 2004 behoort in te gaan.

Ingevolge de artikelen 97l en 97m van de WW is verweerder verantwoordelijk voor het indelen dan wel herindelen van werkgevers bij sectoren.

De in het Besluit datumbeleid indelingen neergelegde beleidsregels luiden, voor zover van belang, als volgt:

a. Wanneer overgang van een werkgever naar een andere sector dan de sector waarbij die werkgever is aangesloten is aangewezen, vindt deze overgang zo spoedig mogelijk plaats per 1 januari of 1 juli van enig jaar, mits vr de betreffende datum een schriftelijke indelingsbeslissing aan de betrokken werkgever is gezonden.
b. Wanneer een werkgever zelf verzoekt om de juistheid van de op dat moment voor hem geldende indeling te bezien dan wel gericht verzoekt om herindeling naar een andere sector, gelden eveneens de data 1 januari of 1 juli volgens op de datum waarop de werkgever zijn verzoek heeft gedaan.
(...)
d. Indelen van een werkgever met terugwerkende kracht tot een datum gelegen vr de onder a en b en de daarna onder c gekoppelde data kan plaatsvinden zowel ten voor- als ten nadele van de betrokken werkgever. Ten voordele: dit kan zich voordoen bijvoorbeeld als in het verleden is nagelaten na een daartoe strekkend verzoek van een werkgever of na melding van een wijziging in de bedrijfsvoering een indelingsverzoek in te stellen en achteraf komt vast te staan dat reeds toen herindeling aangewezen zou zijn geweest.
(...)
g. Het bepaalde onder a t/m d en onder f laat onverlet de mogelijkheid om op grond van bijzondere omstandigheden (met name overwegingen van redelijkheid en zorgvuldigheid) daarvan af te wijken. (...).

Zoals hiervoor is uiteengezet heeft verweerder in het besluit op bezwaar reeds aanleiding gevonden om aan de herindeling van appellante met toepassing van de onder d. vermelde beleidsregel terugwerkende kracht te verlenen. De Raad kan zich verenigen met het in het besluit op bezwaar door verweerder ingenomen standpunt en de gronden waarop dit berust. In hetgeen door appellante in beroep is aangevoerd en de overige gedingstukken ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden welke herindeling met een verdergaande terugwerkende kracht dan tot 1 januari 2005 rechtvaardigen. In dit verband merkt de Raad nog op dat onderkenning van de onjuiste indeling door verweerder bij de in juli 2004 uitgevoerde looncontrole eveneens tot herindeling per 1 januari 2005 zou hebben geleid.

Het voorgaande brengt mee dat het beroep niet kan slagen.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 november 2006.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.E. Lysen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Osv 1997 | Osv 1997 | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x