Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wet Rea
x
LJN:
x
AE5649
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-05-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing vergoeding van de meerkosten van latexvrije handschoenen voor zes ziekenhuismedewerkers omdat enerzijds de aanschaf van latexvrije handschoenen voor het ziekenhuis niet behoeft te leiden tot meerkosten en anderzijds omdat het op grond van de arbeidsomstandighedenwetgeving de plicht en de taak van de werkgever is om voorzieningen te treffen die geen gevaar voor de werknemer kunnen vormen en/of de werknemer geen schade kunnen berokkenen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/3150 REA, 01/3151 REA, 01/3152 REA, 01/3154 REA, 01/3155 REA en 01/3157 REA




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

de Stichting Oosterscheldeziekenhuizen, gevestigd te Goes, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Middelburg op 17 mei 2001 tussen partijen gewezen uitspraak.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van appellant zijn bij brieven van 3 september 2001 en 9 januari 2002 een rapportage van 26 augustus 2001 van de bezwaararbeidsdeskundige W.L. Wijngaards respectievelijk een rapport van 10 december 2001 van de veiligheidsdeskundige J. Doornbusch ingezonden.

De gedingen, bekend onder de registratienummers 01/3150 REA, 01/3151 REA, 01/3152 REA, 01/3154 REA, 01/3155 REA en 01/3157 REA zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad van 22 april 2002, waar voor appellant is verschenen A.E.M. Kuppens, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Gedaagde heeft zich niet doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gebleken, feiten en omstandigheden, die tussen partijen niet in geschil zijn.

Bij brief van 29 september 1998 is namens gedaagde aan appellant verzocht om een voorziening ingevolge de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea) in de vorm van een vergoeding van de meerkosten van latexvrije handschoenen ten behoeve van haar werknemers [werknemer I], [werknemer II], [werknemer III], [werknemer IV], [werknemer V] en [werknemer VI]. Genoemde medewerkers, bij wie een latexallergie is vastgesteld, maken bij het verrichten van hun werkzaamheden gebruik van beschermende steriele en/of niet steriele handschoenen. Bij genoemde brief zijn per medewerker een medisch verslag en een opgave van de meerkosten van latexvrije handschoenen gevoegd.

Bij besluiten van 9 en 13 april 1999 heeft appellant het verzoek om vergoeding van de meerkosten, verbonden aan de aanschaf van latexvrije handschoenen, ten behoeve van genoemde werknemers op grond van artikel 15 van de Wet Rea afgewezen. Aan deze afwijzing heeft appellant ten grondslag gelegd, enerzijds dat de aanschaf van latexvrije handschoenen voor gedaagde niet behoeft te leiden tot meerkosten, en anderzijds dat het op grond van de arbeidsomstandighedenwetgeving de plicht en de taak van de werkgever is om voorzieningen te treffen, die geen gevaar voor de werknemer kunnen vormen en/of de werknemer geen schade kunnen berokkenen.

Gedaagde heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Ter hoorzitting is van de zijde van gedaagde meegedeeld dat de gevraagde vergoeding nog uitsluitend de meerkosten verbonden aan de aanschaf van steriele latexvrije handschoenen betreft.

De tegen genoemde besluiten ingediende bezwaarschriften zijn door appellant bij de bestreden besluiten van 13 december 1999 ongegrond verklaard. Appellant heeft de eerdere afwijzende besluiten overeenkomstig het advies van 16 augustus 1999 van de bezwaararbeidsdeskundige W.L. Wijngaards gehandhaafd, op de grond dat de aangevraagde voorziening niet is aan te merken als een voorziening in het kader van de Wet Rea en dat op gedaagde ingevolge de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) de verplichting rust deze voorziening te treffen en de extra kosten hiervan te dragen. De grond dat de aanschaf van vervangende latexvrije handschoenen niet leidt tot meerkosten wordt niet gehandhaafd.

Gedaagde heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Aangevoerd is, dat gedaagde haar uit de Arbowet voortvloeiende verplichtingen kent en in dat kader het beleid voert dat voor niet-steriel gebruik vinyl handschoenen worden ingekocht en voor steriel gebruik ongepoederde latex handschoenen. Dit geldt voor alle werknemers die handschoenen gebruiken. Dit beleid komt overeen met het door het Academisch Ziekenhuis te Rotterdam gevoerde beleid, waarnaar door appellant is verwezen. Voor de meerkosten die verband houden met de aanschaf van vinyl handschoenen en ongepoederde latex handschoenen vraagt gedaagde ook geen vergoeding aan. De aanvraag betreft uitsluitend nog de aanschaf van steriele latexvrije handschoenen, waarop de werknemers met een door een dermatoloog vastgestelde latexallergie zijn aangewezen. Bij deze werknemers is sprake van een arbeidshandicap. Dit betreft bijzondere gevallen, aangezien slechts 10% van de werknemers die latexhandschoenen gebruiken een allergie voor latex opbouwt en de overige 90% wel met de in het kader van het door gedaagde gevoerde arbeidsomstandighedenbeleid verstrekte handschoenen kan functioneren.

De rechtbank Middelburg heeft de tegen de bestreden besluiten ingestelde beroepen bij uitspraak van 17 mei 2001 gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, bepaald dat appellant nieuwe besluiten dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen, het voormalige Landelijk instituut sociale verzekeringen aangewezen om aan gedaagde het griffierecht te vergoeden, en appellant veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank heeft hiertoe - appellant als verweerder aanduidend en gedaagde als eiseres - het volgende overwogen:

"Vaststaat dat de werknemers voor wie eiseres de voorziening in het kader van de Wet Rea heeft aangevraagd, allen een door een medisch deskundige vastgestelde allergie voor latexproducten hebben. Ter zitting van de rechtbank is door de gemachtigde van eiseres uiteengezet dat bij eiseres in totaal 1300 mensen werkzaam zijn, van wie er ongeveer 500 met handschoenen werken. Eiseres heeft indertijd een commissie ingesteld om te bezien in hoeverre allergieŰn konden worden voorkomen. De bevindingen van de commissie hebben ertoe geleid dat eiseres sedert twee jaar voor iedereen poedervrije handschoenen heeft aangeschaft, teneinde te voorkomen dat een latexallergie wordt opgebouwd. Deze wijziging leidt weliswaar ook tot meerkosten, aangezien de voorheen gebruikte vinyl handschoenen goedkoper zijn, doch de betreffende voorziening is gevraagd voor de meerkosten ten aanzien van de aanschaf van latexvrije steriele handschoenen, aldus eiseres.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres met haar uiteenzetting erin is geslaagd aan te tonen dat de gevraagde voorziening valt binnen het kader van artikel 15 van de Wet Rea en dat verweerders standpunt dat eiseres op grond van de Arbowet die kosten als werkgever dient te dragen niet kan standhouden.

Het bestreden besluit kan derhalve niet in stand blijven. Aangezien de gedingstukken onvoldoende aanknopingspunten bieden om aan de daadwerkelijke meerkosten de hoogte van de subsidie te berekenen, daarbij rekening houdend met het bepaalde in artikel 4 van het Re´ntegratie-instrumentenbesluit Wet Rea, waarin onder meer is bepaald dat geen subsidie voor kosten van een voorziening als bedoeld in artikel 15, lid 1, van de Wet Rea wordt verstrekt indien de waarde van die voorziening minder bedraagt dan 1,85 maal het minimum per dag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, ligt het op de weg van verweerder een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak."

In hoger beroep is van de zijde van appellant aangevoerd, dat de rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom zij zich niet kan vinden in het gestelde in de rapportages van 16 augustus 1999 en 15 maart 2000 van de bezwaararbeidsdeskundige. In laatstgenoemde rapportage wordt ingegaan op de Arbowet en is informatie opgenomen die verkregen is van een inspecteur en van een arts van de arbeidsinspectie Rotterdam. Deze zouden het standpunt van appellant met betrekking tot de verplichtingen op grond van die wet delen.
Volgens appellant is gedaagde op grond van de Arbowet gehouden te voorkomen dat zijn werknemers een latexallergie opbouwen door het gebruik van latex handschoenen. Appellant heeft in dat kader gewezen op de in het rapport van de veiligheidsdeskundige Doornbusch opgenomen verplichtingen van de werkgever. De reden waarom men niet is overgegaan op de aanschaf van deze handschoenen is uitsluitend een economische.
Daarnaast betrekt appellant de stelling dat de met de Wet Rea beoogde re´ntegratie van arbeidsgehandicapten blijkens de memorie van toelichting te maken heeft met het negatieve beeld dat uitgaat van het hebben van een arbeidshandicap of een arbeidsongeschiktheidsverleden, waardoor het vinden van betaalde arbeid bemoeilijkt wordt.
De algemene definitie van arbeidsgehandicapte in deze wet houdt rekening met dit aspect. Gelet op de ontstaansgeschiedenis van deze wet en de in de toelichting op deze wet aangegeven aspecten zijn de instrumenten die in deze wet worden aangedragen volgens appellant ontegenzeglijk niet bedoeld voor de situatie zoals die zich in casu voordoet.
Ter zitting is van de zijde van appellant aangegeven dat er bovendien sprake is van een onvoldoende op de individu gerichte voorziening, omdat niet vaststaat wie de gebruikers zijn en de subsidie feitelijk bedoeld is voor een groeiende groep werknemers die last hebben van latexallergie. Voorts stelt appellant dat de gevraagde voorziening algemeen gebruikelijk is, omdat gebruikers van latex handschoenen, waaronder (alle) andere (grote) ziekenhuizen en zorginstellingen, op grote schaal zijn overgestapt op het gebruik van latexvrije handschoenen.
Voorts ontbreekt een ingevolge artikel 15 van de Wet Rea vereist re´ntegratieplan en moet aan de hand van het Arbeidsgehandicaptebesluit (20 juli 1998, Stb. 488) nog getoetst worden of de betrokken medewerkers als arbeidsgehandicapt kunnen worden beschouwd.

Gedaagde heeft haar eerder in de procedure ingenomen standpunt onder verwijzing naar eerdere stukken gehandhaafd.

De Raad overweegt het volgende.

In dit geding is de vraag aan de orde of de bestreden besluiten, waarbij de eerdere weigeringen om de meerkosten van de aanschaf van latexvrije handschoenen te vergoeden is gehandhaafd, in rechte stand kunnen houden.
Gelet op de beperking die van de zijde van gedaagde tijdens de bezwaarschriftprocedure op de aanvraag is aangebracht is thans nog uitsluitend de vergoeding van meerkosten verbonden aan de aanschaf van steriele latexvrije handschoenen in geding.
Aangezien de aanvraag is beperkt tot de aanschaf van handschoenen ten behoeve van de werknemers [werknemer I], [werknemer II], [werknemer III], [werknemer IV], [werknemer V] en [werknemer VI] en ook de bij de bestreden besluiten gehandhaafde weigeringen beperkt zijn tot deze zes werknemers, houdt de Raad het ervoor dat het geding is beperkt tot de gevraagde voorziening ten behoeve van uitsluitend deze zes personen en niet tevens ook betrekking heeft op andere werknemers van gedaagde die volgens haar als arbeidsgehandicapt zouden moeten worden aangemerkt.
Voorts stelt de Raad uitdrukkelijk vast dat in geding is de periode van 29 september 1998 (datum aanvraag) tot 13 december 1999 (datum bestreden besluiten).

In artikel 15 van de Wet Rea is, voorzover hier van belang, het volgende bepaald:
1. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen kan aan de werkgever, bedoeld in artikel 8, op aanvraag subsidie verstrekken voor kosten van voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid van zijn arbeidsgehandicapte werknemer voor de eigen arbeid.
2. Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, wordt slechts in behandeling genomen, indien de werkgever gelijktijdig met de aanvraag een re´ntegratieplan als bedoeld in artikel 71a, van de WAO overlegt. (...)
3. Onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval verstaan:
a. (...)
b. noodzakelijke aanpassingen van de samenstelling en toewijzing van arbeid, de inrichting van arbeidsplaatsen, de productie- en werkmethoden en de bij de arbeid te gebruiken hulpmiddelen, alsmede aanpassing van de inrichting van het bedrijf, voorzover de behoefte daaraan wordt opgeroepen door de deelneming aan de werkzaamheden of het daarmee samenhangende verblijf in het bedrijf van de werknemer, bedoeld in het eerste lid.
(...)

Artikel 8 van de Wet Rea luidt als volgt:
1. De werkgever bevordert de inschakeling in de arbeid van de tot hem in dienstbetrekking staande arbeidsgehandicapte werknemer, tenzij vaststaat dat binnen zijn bedrijf geen andere passende arbeid voor betrokkene voorhanden is. De vaststelling, bedoeld in de eerste zin, geschiedt door het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan de hand van het door de werkgever over te leggen re´ntegratieplan, bedoeld in artikel 71a, van de WAO.
2. Uit hoofde van de uitoefening van zijn taak, bedoeld in het eerste lid, treft de werkgever, in samenwerking met zijn Arbo-dienst en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, maatregelen gericht op het behoud, het herstel of de bevordering van de arbeidsgeschiktheid van zijn in het eerste lid bedoelde werknemer. Hij is uit dien hoofde verplicht de samenstelling en toewijzing van de arbeid, de inrichting van de arbeidsplaatsen, de productie- en werkmethoden en de bij arbeid te gebruiken hulpmiddelen aan die werknemer aan te passen, alsmede de inrichting van het bedrijf aan te passen, voor zover de behoefte daaraan wordt opgeroepen door de deelneming van die werknemer aan die werkzaamheden of het daarmee samenhangende verblijf in het bedrijf.

De artikelen 3 en 4 Arbowet 1998 luidden ten tijde van het bestreden besluit, voorzover in dit geding van belang, als volgt:
"Artikel 3 Arbobeleid
1. De werkgever voert een zo goed mogelijk arbeidsomstandighedenbeleid en neemt daarbij, gelet op de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening, het volgende in acht:
a. tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd moet de werkgever de arbeid zodanig organiseren dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de veiligheid en de gezondheid van de weknemer;
b. tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd moeten de gevaren en risico's voor de veiligheid of de gezondheid van de werknemer zoveel mogelijk in eerste aanleg bij de bron daarvan worden voorkomen of beperkt; naar de mate waarin dergelijke gevaren en risico's niet bij de bron kunnen worden voorkomen of beperkt, moeten daartoe andere
doeltreffende maatregelen worden getroffen waarbij maatregelen gericht op collectieve bescherming de voorrang dienen te hebben boven maatregelen gericht op individuele bescherming; slechts indien redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat maatregelen worden getroffen die zijn gericht op individuele bescherming, dienen doeltreffende en passende persoonlijke beschermingsmiddelen aan de werknemer ter beschikking te worden gesteld;
c. de inrichting van de arbeidsplaatsen, de werkmethoden en de bij de arbeidsmiddelen alsmede de arbeidsinhoud moeten zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd aan de persoonlijke eigenschappen van werknemers zijn aangepast; (...)"

"Artikel 4 Aspecten van arbobeleid.
1. De werkgever voert, binnen het algemene arbeidsomstandighedenbeleid, een beleid met betrekking tot het ziekteverzuim van de werknemers.
Onderdeel van dit beleid is in ieder geval:
a. het zoveel mogelijk voorkomen of beperken van ziekte van werknemers;
(...)"

Het bestreden besluit is gebaseerd op de grond, dat de aangevraagde voorziening niet is aan te merken als een voorziening in het kader van de Wet Rea en dat op gedaagde op grond van de Arbowet de verplichting rust deze voorziening te treffen en de extra kosten hiervan te dragen, een en ander zoals in eerste aanleg en met name in hoger beroep nader toegelicht.

De Raad begrijpt uit de ter zitting van 22 april 2002 van de kant van appellant gegeven nadere toelichting dat met het algemene beroep op de doelstelling van de Wet Rea in het hoger beroepschrift met name beoogd is aan te geven dat de instrumenten van de Wet Rea slechts bedoeld zijn voor die personen die ten gevolge van ziekte of gebreken verminderde kansen op de arbeidsmarkt hebben. Dit algemene beroep op de Wet Rea acht de Raad op zich zelf genomen te vaag om de onderhavige aangevraagde voorziening te kunnen weigeren. Artikel 15, eerste lid, van de Wet Rea stelt de eis dat het moet gaan om een arbeidsgehandicapte werknemer. Nu uit de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat appellant bij de voorbereiding van zijn besluiten op concrete en verifieerbare wijze is nagegaan of de zes betrokken werknemers (individueel) aangemerkt kunnen worden als arbeidsgehandicapte werknemers als bedoeld in genoemde bepaling, moet worden geconcludeerd dat de bestreden besluiten op dit punt onvoldoende zorgvuldig zijn voorbereid en gemotiveerd.

Gelet op de inhoud van de gedingstukken acht de Raad voorts onvoldoende aangetoond dat ten aanzien van de betrokken zes werknemers op grond van (de artikelen 3 en 4 van ) de Arbowet 1998 de zorg voor de gevraagde voorziening op de werkgever rust, waarbij tevens dient te worden bezien welke maatregelen in dat kader redelijkerwijs van de werkgever kunnen worden gevergd. Weliswaar heeft de bezwaararbeidsdeskundige contact gehad met de Arbeidsinspectie, maar dit heeft bijvoorbeeld niet geleid tot een toegespitste verklaring van deze instantie met betrekking tot de gehoudenheid van de werkgever in het onderhavige geval. Bovendien - en met name - laat de Raad wegen dat, zo er in casu sprake zou zijn van een verplichting uit hoofde van de Arbowet, appellant niet heeft gemotiveerd waarom dat gegeven in de weg zou staan aan gehele of gedeeltelijke verstrekking van de in het kader van de Wet Rea gevraagde voorziening. De Raad wijst in dit verband op de ruime taakstelling voor de werkgever op het vlak van de re´ntegratie, zoals verwoord in artikel 8, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid, van de Wet Rea, en de eveneens ruim geformuleerde definitie van voorzieningen in artikel 15, derde lid onder b, van de Wet Rea.

Naar aanleiding van hetgeen ter zitting door de gemachtigde van appellant naar voren is gebracht overweegt de Raad nog het volgende.

De stelling dat de steriele latexvrije handschoenen algemeen gebruikelijk zijn acht de Raad onvoldoende feitelijk onderbouwd. Weliswaar heeft appellant aangevoerd dat (alle) andere (grote) ziekenhuizen en zorginstellingen op grote schaal zijn overgestapt op het gebruik van latexvrije handschoenen, maar aan dit argument kan geen gewicht worden toegekend, nu dit niet gebaseerd is op feitelijk onderzoek naar de situatie bij deze ziekenhuizen en zorginstellingen, maar slechts ontleend is aan het gegeven dat er geen andere op de Wet Rea gebaseerde verzoeken om deze voorziening te verstrekken bij appellant zijn ingediend. Uit de vele door beide partijen overgelegde informatie over (het voorkomen van) latexallergie blijkt dat met name eerst de laatste jaren informatie over deze problematiek beschikbaar is gekomen. Uit een persbericht van het Academisch Ziekenhuis te Rotterdam van 21 maart 1998 blijkt dat dit ziekenhuis in 1998 is overgestapt op de niet-steriele ongepoederde latex handschoenen, hetgeen in dat persbericht als uniek in Nederland werd genoemd, en dat het gebruik van steriele gepoederde latexhandschoenen in dat ziekenhuis gehandhaafd bleef.

Ook het argument dat de gevraagde voorziening onvoldoende op het individu is gericht treft geen doel, aangezien de aanvraag is ingediend voor zes met name genoemde personen, onder overlegging van een medisch rapport met betrekking tot elk van deze werknemers. De in de loop van de procedure door gedaagde gedane mededeling dat er inmiddels ÚÚn persoon met een latexallergie is bijgekomen rechtvaardigt niet de conclusie dat deze werknemer ook gebruik zou hebben gemaakt van de ten behoeve van de groep van zes werknemers aangevraagde latexvrije handschoenen, noch dat dit voor de rechtmatigheid van de bestreden besluiten van belang zou kunnen zijn. Niet uitgesloten is dat een positieve beslissing ten aanzien van de thans betrokken werknemers voor gedaagde aanleiding zou hebben gevormd om ook ten behoeve van deze werknemer een aanvraag om een voorziening in te dienen.

Tot slot merkt de Raad nog op dat uit de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat appellant bij de voorbereiding van zijn besluiten onder ogen heeft gezien dat (volledige) re´ntegratieplannen bij de aanvraag ontbraken en dat er geen gelegenheid tot herstel van dit verzuim is geboden.

Al het voorgaande in ogenschouw nemend komt de Raad tot de conclusie dat de bestreden besluiten een draagkrachtige motivering ontberen en onzorgvuldig zijn voorbereid. Deze besluiten kunnen wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand blijven. De rechtbank heeft deze besluiten dan ook, weliswaar op een andere grond, terecht vernietigd. Appellant dient nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen.

De Raad acht geen termen aanwezig om appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van proceskosten, nu van het bestaan daarvan niet is gebleken.

Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde lid, van de Beroepswet, stelt de Raad tenslotte vast dat van appellant een recht van Ç 327,-- dient te worden geheven.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende,

Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant nieuwe besluiten op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in 's Raads uitspraak is overwogen;
Bepaalt dat van appellant een recht van Ç 327,-- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft, als voorzitter, en mr. R.M. van Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.F. Menkveld-Botenga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2002.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) E.W.F. Menkveld-Botenga.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wet Rea | Wet Rea | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x