Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wet Rea
x
LJN:
x
AE9290
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 01-10-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing starterskrediet ten behoeve van het opstarten van een taxibedrijf.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/596 REA en 02/4666 REA




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 9 december 1998 heeft gedaagde appellants aanvraag om een starterskrediet ingevolge artikel 30 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea) ten behoeve van het opstarten van een taxibedrijf afgewezen.

Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij het bestreden besluit van 26 juli 1999 (hierna: besluit I) ongegrond verklaard.

Bij het bestreden besluit van 9 augustus 2000 (hierna: besluit II) heeft gedaagde geweigerd appellant ten behoeve van het opstarten van een taxibedrijf borgtocht te verlenen.

De rechtbank Haarlem heeft bij de tussen partijen gewezen uitspraak van 1 december 2000 het tegen besluit I ingestelde beroep, voorzover dit gericht was tegen het niet beslissen op het bezwaar tegen het weigeren van een borgtocht niet ontvankelijk, en voor het overige ongegrond verklaard, het beroep, voorzover - met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - gericht tegen besluit II, ongegrond verklaard, gedaagde veroordeeld in de proceskosten en bepaald dat gedaagde het door appellant betaalde griffierecht aan hem vergoedt.

Namens appellant is H. van Emden, sociaal en juridisch adviseur bij Consultatiebureau 'C.S.J.' voor sociaaljuridische hulpverlening te Purmerend, van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden. Het hoger beroep is gericht tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen de besluiten I en II.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 25 juli 2002 heeft gedaagde op verzoek van de Raad nadere informatie verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 3 september 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door H. van Emden, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. E.G. van Roest, werkzaam bij het Uwv.




II. MOTIVERING


In geding is de vraag of de in de bestreden besluiten neergelegde weigering van gedaagde om appellant op grond van artikel 30 Wet Rea een starterskrediet in de vorm van een geldlening of borgtocht te verstrekken ten behoeve van het opstarten van een taxibedrijf in rechte stand kan houden.

Bij de beantwoording van deze vraag gaat de Raad uit van de feiten en omstandigheden, zoals die zijn weergegeven in de aangevallen uitspraak, waarbij voor "eiser" moet worden gelezen appellant en voor "verweerder" gedaagde:
"Eiser is op 16 december 1991 wegens psychische klachten uitgevallen voor zijn werk als zelfstandig taxichauffeur. Met ingang van 16 december 1992 is aan eiser een uitkering op grond van de voormalige, tot 1 januari 1998 geldende, Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Per 4 januari 1993 is deze uitkering op grond van artikel 33 van de AAW uitbetaald naar een percentage van 45 tot 55 en vervolgens per 1 april 1993 herzien naar dit percentage. Met ingang van 13 april 1995 is de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser wederom vastgesteld op 80 tot 100%. Tot aan het moment dat eiser arbeidsongeschikt werd, beschikte hij over een taxivergunning, waarvan hij in 1996 het laatste deel heeft verkocht. In 1998 wenste eiser weer een taxivergunning te kopen, ten einde opnieuw als zelfstandig taxichauffeur te gaan werken. Medio 1998 heeft eiser bij verweerder zowel telefonisch als schriftelijk een verzoek ingediend om in aanmerking te komen voor een starterskrediet ingevolge de Wet Rea. Bij brief van 5 november 1998 heeft eiser alsnog zijn verzoek schriftelijk aan verweerder doen toekomen. Bij deze aanvraag heeft eiser een krediet ten bedrage van f 92.000,-- toegekend. Tevens heeft eiser bij zijn aanvraag een ondernemingsplan gevoegd. Eiser heeft aan verweerder een krediet van f 100.000,-- gevraagd."

Vervolgens heeft gedaagde de in rubriek I genoemde besluiten genomen.

Aan de bestreden besluiten - zoals door gedaagde nader toegelicht ter terechtzitting van de Raad - ligt onder meer ten grondslag dat uit de beschikbare gegevens is gebleken dat in de financieringsbehoefte van appellant is voorzien door kredietverlening door een particuliere bankinstelling, dat appellant zich voor een eventueel aanvullend krediet eerst dient te wenden tot een dergelijke bankinstelling en dat niet is gebleken dat voor kredietverlening door een bank een borgstelling is verlangd.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de bij besluit I gehandhaafde weigering om in het kader van de Wet Rea aan appellant een starterskrediet in de vorm van een geldlening toe te kennen, in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat aan appellant door een particuliere bankinstelling een krediet van f 92.000,-- is verleend en dat het op de weg van appellant lag om zich, indien hij een hoger krediet wenste, eerst wederom tot deze of een andere particuliere bankinstelling te wenden. Nu hiervan niet is gebleken heeft gedaagde naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden geweigerd appellant een starterskrediet in de vorm van een geldlening te verstrekken. Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel is door de rechtbank afgewezen, omdat de stukken die appellant ter onderbouwing daarvan in geding had gebracht betrekking hadden op het jaar 1996 en derhalve voor de inwerkingtreding van de Wet Rea zijn afgegeven, zodat niet gesproken kan worden van gelijke gevallen. De rechtbank heeft het beroep tegen besluit II op dezelfde gronden als het beroep tegen besluit I ongegrond verklaard.

Appellant voert in hoger beroep - kort samengevat - aan, dat een particuliere bank bereid was hem een krediet te verstrekken voor een bedrag van f 92.000,--, maar dat dit bedrag niet voldoende was. Aangezien de investering veel hoger was dan genoemd bedrag heeft hij een aanvraag om een starterskrediet ingediend. In de Wet Rea is volgens appellant niet bepaald dat een starterskrediet niet mogelijk is indien een particuliere bankinstelling slechts tot een gedeeltelijke financiering overgaat. Appellant betwist dat de omvang van een te verstrekken starterskrediet, zoals gedaagde aanvankelijk heeft aangenomen, is beperkt tot f 60.000,-- en beroept zich ook in hoger beroep op een eerder door het GAK-kantoor Amsterdam aan een andere arbeidsgehandicapte werknemer verstrekte borgstelling voor een bedrag van f 225.000,--. Voorts acht hij het niet juist dat hij zich diep in de schulden heeft moet steken, waarbij hij door de door hem verstrekte zekerheid het risico loopt dat zijn woning, bij financiŽle tegenwind, door de bank zal worden verkocht. Appellant wenst toewijzing van een starterskrediet in de vorm van een geldlening van f 100.000,-- of een borgstelling die hem zekerheid in zijn bestaan biedt.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 30 van de Wet Rea kunnen, ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal van een arbeidsgehandicapte die werkzaamheden als zelfstandige gaat verrichten, bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot de verstrekking door het Lisv van gelden in de vorm van een lening of het door het Lisv verlenen van borgtocht, alsmede omtrent de aard en de omvang van de activiteiten en de aan de subsidie te verbinden verplichtingen. Aan deze bepaling is uitvoering gegeven door vaststelling van het Besluit starterskrediet arbeidsgehandicapten van 27 juli 1998, Stb. 489 (hierna: het Besluit).
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit, zoals dat ten tijde in geding luidde, kan gedaagde op aanvraag van een arbeidsgehandicapte ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal een lening van ten hoogste f. 60.000,-- verstrekken of borgtocht voor ten hoogste genoemd bedrag verlenen. In de toelichting op het Besluit staat onder meer het volgende vermeld:
"De uvi beoordeelt of de arbeidsgehandicapte die zich aanmeldt als aspirant-starter, zich daarvoor allereerst tot een particuliere bankinstelling moet wenden. Indien op voorhand de kans van kredietverstrekking door de particuliere sector als miniem wordt ingeschat, neemt de betrokken uvi zelf de aanvraag voor een starterskrediet in behandeling."
Nu uit deze toelichting blijkt dat het starterskrediet er toe strekt om startende ondernemers die wegens hun arbeidshandicap bij de banken geen of moeilijk krediet kunnen krijgen, te helpen door hetzij een krediet, hetzij en borgtocht te verstrekken, heeft gedaagde zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat men zich in het algemeen eerst tot en particuliere bankinstelling dient te wenden.

Uit het bij de aanvraag ingediende, door S.F. Tinkelenberg opgestelde ondernemersplan is een kredietbehoefte aangegeven van f 92.000,--. Bij de aanvraag is tevens gevoegd een brief van 7 augustus 1998 van assurantie- en financieringskantoor Merkelbag & Co., waaruit blijkt dat een door appellant gevraagd krediet ter grootte van f 92.000,-- door een bank is gefiatteerd. Uit de in de bezwaarprocedure aan gedaagde verstrekte jaarrekening over 1998 blijkt dat appellant bij particuliere bankinstellingen een tweetal leningen heeft afgesloten tot een bedrag van f 126.333,--. Nu de Raad noch uit deze stukken noch uit de overige gedingstukken is gebleken van een onderbouwing van een verdergaande behoefte aan uit een krediet te verkrijgen bedrijfskapitaal, en evenmin is gebleken dat appellant zich voor een in zijn ogen noodzakelijke verdere kredietbehoefte heeft gewend tot een particuliere bankinstelling, moet worden geconcludeerd dat gedaagde terecht geweigerd heeft om appellant een starterskrediet te verlenen in de vorm van een lening of een borgstelling. Evenals de rechtbank en op dezelfde grond wijst de Raad het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel af.

Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is en de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht - ten slotte - geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende,

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2002.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) A. de Gooijer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wet Rea | Wet Rea | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x