Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wet Rea
x
LJN:
x
AF5924
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-12-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing aanvraag om in aanmerking te komen voor vergoeding van de kosten van de studie Psychology en Social Work aan de University of Gallaudet in Washington (VS).
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/3662 REA




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Gedaagde heeft appellant verzocht om in aanmerking te komen voor vergoeding van de kosten van de studie Psychology en Social Work aan de University of Gallaudet in Washington (VS).

Bij besluit van 20 juni 2001 heeft appellant dit verzoek met toepassing van artikel 22, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (hierna: Wet Rea) afgewezen. Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door appellant bij besluit van 7 januari 2002 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Assen heeft het door gedaagde tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gewezen uitspraak van 5 juni 2002 gegrond verklaard met de opdracht aan appellant om binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Bij die uitspraak is appellant veroordeeld in de door gedaagde gemaakte proceskosten en is bepaald dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen deze proceskosten, alsmede het door gedaagde betaalde griffierecht, dient te vergoeden. Bij de aangevallen uitspraak is het verzoek van gedaagde om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen.

Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij het beroepschrift aangevoerde gronden.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

De Raad is op verzoek van gedaagde overgegaan tot versnelde behandeling als bedoeld in artikel 8:52 van de Awb.

Appellant heeft bij brief van 12 september 2002 nog een nader stuk toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 10 oktober 2002, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door F.A. Martens, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en waar voor gedaagde zijn verschenen mr. L.J. van der Veen, advocaat te Groningen, en zijn ouders.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting is besloten het onderzoek te schorsen teneinde appellant in de gelegenheid te stellen nadere informatie te overleggen.

Appellant heeft vervolgens bij faxbericht van 19 november 2002 nadere stukken aan de Raad doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 20 november 2002, waar appellant en gedaagde zich door dezelfde personen hebben laten vertegenwoordigen als ter zitting van 10 oktober 2002.




II. MOTIVERING


De aangevallen uitspraak bevat een uiteenzetting van de voor dit geding van belang zijnde feiten en de door partijen in eerste aanleg ingenomen standpunten, waarbij gedaagde is aangeduid als verzoeker en appellant als verweerder.
Deze luidt voor zover hier van belang:
"Feiten en omstandigheden
Verzoeker, geboren op 16 september 1980, is sinds zijn geboorte volledig doof.
Hij communiceert door middel van gebarentaal; liplezen lukt minimaal.
In juni 1998 heeft verzoeker zijn MAVO-diploma gehaald, waarna hij aan het Noorderpoort College te Groningen een MBO-opleiding (SPW) is gaan volgen.
Om dit onderwijs te kunnen volgen heeft verweerder verzoeker een tegemoetkoming in de kosten van vergoeding van een doventolk toegekend voor maximaal 800 uren per kalenderjaar. Verzoeker heeft deze opleiding uiteindelijk gestaakt, omdat het volgen van deze opleiding vanwege een tolkentekort voor hem ondoenlijk was.
Verzoeker heeft, afgezien van enig vakantiewerk en enkele bijbaantjes, nooit regulier in loondienst gewerkt.
Per 16 september 1998 is hem een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Verweerder baseerde deze toekenning op rapportages van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige.
Verzoeker heeft verweerder verzocht hem op grond van artikel 22 van de wet Rea in aanmerking te brengen voor de kosten van de opleiding aan de University of Gallaudet te Washington, studierichting Psychology en Social Work, waar door en voor doven wordt onderwezen. Hij heeft daarbij aangegeven deze opleiding te willen volgen, omdat er in Nederland behoefte bestaat aan gekwalificeerde dove psychologen en het slecht gesteld is met de opleidingsmogelijkheden voor dove jongeren in de zorgsector.
De gekozen studierichting leidt op tot een internationaal erkende Master titel (doctoraal). De totale studieduur is beraamd op 6 jaar. Verzoeker heeft gewezen op het bijkomende voordeel dat door het volgen van deze studie de kosten van een tolk, nodig tijdens studie in Nederland, worden vermeden. Daarnaast heeft ver-zoeker nog gewezen op een aantal andere Nederlandse doven dat, met een tegemoetkoming in de studiekosten in het kader van de AAW, aan de Gallaudet University studeert.
De afdeling Kliq-arbeidsintegratie heeft geadviseerd verzoeker voor vergoeding van scholingskosten in aanmerking te brengen.
Arbeidsdeskundige R. van Beers heeft op 8 juni 2001 terzake van de aanvraag gerapporteerd en verweerder geadviseerd verzoeker niet in aanmerking te brengen voor de gevraagde scholing. De arbeidsdeskundige geeft aan dat vanuit de Wet Rea de meerkosten voor opleidings- en werksituaties die tengevolge van een handicap ontstaan worden vergoed, waarbij de norm is dat de scholing maximaal 2 jaar duurt en gericht is op een concreet vak of beroep. De door verzoeker genoemde opleiding duurt, zo geeft de arbeidsdeskundige aan, duidelijk langer dan normaal gebruikelijk, met deze opleiding zijn nog geen concrete ervaringen opgedaan en het is onzeker of er in de toekomst wel een budget is om dergelijke hulpverlening op te zetten. De arbeidsdeskundige betwijfelt voorts af of de keuze voor het toekomstig werkveld past bij de persoon en de handicap van de cliënt en vindt dat hiernaar meer onderzoek moet worden gedaan. De arbeidsdeskundige geeft verder aan dat verzoeker bemiddelbaar is naar werk en wijst er in dit verband op dat verzoekers Wajong-uitkering is toegekend in de periode dat werd aangenomen dat doven per definitie niet kunnen werken en dat men hierop inmiddels is teruggekomen.
Bij besluit van 20 juni 2001 heeft verweerder geweigerd de gevraagde voorziening te verstrekken, aangezien verzoeker naar het oordeel van verweerder goed bemiddelbaar is naar betaald werk.

Namens verzoeker is bij brief van 16 juli 2001, aangevuld bij brief van 27 augustus 2001, tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Gesteld is dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Verder is aangegeven dat verzoeker na het volgen van de opleiding met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zo aan de slag zou kunnen in de psychosociale hulpverlening aan doven. Verder wordt aangegeven dat verzoeker slechts onder bijzondere omstandigheden kan functioneren op de arbeidsmarkt en dat de werkzaamheden die hij tot nu toe heeft verricht tot stand zijn gekomen met behulp van zogenoemde kruiwagens.
De bezwaren zijn op 3 september 2001 tijdens een hoorzitting nader toegelicht. Hierbij was ook de bezwaararbeidsdeskundige Stiekema aanwezig.
Op basis van het op 13 november 1998 door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheidspatroon (en actueel bevonden op 22 juni 2000) heeft de arbeidsdeskundige Van Beers aan verweerder gerapporteerd bij zijn eerder advies, inhoudende het niet vergoeden van de door verzoeker gewenste opleiding, te blijven. Door de arbeidsdeskundige is aangegeven dat na raadpleging van het FIS diverse functies passend geacht worden voor verzoeker en dat hij hiermee in ieder geval het wettelijk minimumloon zou kunnen verdienen. De arbeidsdeskundige geeft verder aan dat het wensberoep van verzoeker voor hem moeilijk realiseerbaar zal zijn, dat niet zeker is of de gewenste opleiding voor hem haalbaar is en dat er andere mogelijkheden zijn om werkzaam te zijn, ook - na een korte gerichte opleiding - in een omgeving, waar hij zijn intellectueel vermogen kwijt kan.
Bezwaararbeidsdeskundige Stiekema heeft in zijn rapportage van 19 december 2001 aangegeven dat verzoeker voor minder dan 25% arbeidsongeschikt kan worden beschouwd in het kader van de Wajong en dat het volgen van scholing om die reden niet leidt tot een afname van de arbeidsongeschiktheid. Volgens de bezwaarverzekeringsarts is daarmee niet voldaan aan de voorwaarden die de Wet Rea stelt om over te kunnen gaan tot vergoeding van de gevraagde kosten.
Bij brief van 2 januari 2002 is namens verzoeker gereageerd op de rapportage van de arbeidsdeskundige van 10 december 2001.
Bij het thans bestreden besluit van 7 januari 2002 is het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder geeft daarbij aan dat aan verzoeker ten onrechte een uitkering op grond van de Wajong is toegekend, aangezien er blijkens de rapportages van de (bezwaar) arbeidsdeskundige voldoende passende functies te duiden zijn die verzoeker zonder aanvullende scholing zou kunnen verrichten en verzoeker, gelet op het inkomen wat hij met die functies zou kunnen verrichten, minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. Hiervan uitgaande leidt scholing niet tot afname van de arbeidsongeschiktheid en wordt er, aldus verweerder, niet voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 22, eerste en tweede lid, van de Wet Rea. Verweerder geeft verder aan dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet opgaat en dat de aanvraag ook niet kan worden beschouwd als een aanvraag op grond van artikel 22, vierde lid, van de Wet Rea, aangezien het daar niet gaat om het vergoeden van de kosten van de opleiding, maar slechts om vergoeding van voorzieningen die belemmeringen wegnemen.
Standpunten partijen
Verzoeker stelt dat het reguliere onderwijs in Nederland voor hem, door een tekort aan doventolken, feitelijk is uitgesloten en de door hem geambieerde opleiding voor hem bij uitstek geschikt is nu het een speciale opleiding voor doven betreft. Verzoeker stelt voorts dat hij tot op heden nog steeds als volledig arbeidsongeschikt in de zin van de Wajong wordt beschouwd en dat het verweerder niet vrijstaat van deze beoordeling af te wijken. Verder wijst verzoeker er op dat hij steeds zonder problemen een in geld uitgedrukte hogere voorziening voor tolkuren voor het tot nog toe gevolgde onderwijs ontving. Verzoeker onderbouwt zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel met een aantal beslissingen van (rechtsvoorgangers van) verweerder en verwijst voorts nog naar een uitspraak van de CRvB van 8 oktober 1999 (RSV 1999,292).
Subsidiair stelt vetzoeker dat de thans geduide functies voor hem niet geschikt zijn, nu deze nagenoeg allemaal een zekere vorm van communicatie vereisen en dat de vakantiebaantjes die hij tot nog toe heeft verricht niet vergelijkbaar zijn met een normale functie in het productieproces.
Verzoeker geeft voorts aan bezwaar te hebben tegen de inschatting van de arbeidsdeskundige van zijn capaciteiten en het arbeidsmarktperspectief die in hoge mate speculatief is en geen recht doet aan de achterliggende gedachte van de Wet Rea dat integratie op de arbeidsmarkt zoveel mogelijk dient te worden gestimuleerd.
Ten aanzien van het spoedeisend belang stelt verzoeker dat de inschrijftermijn voor het studiejaar 2002/2003 inmiddels is gesloten, maar dat hem is toegestaan zich nog op zo kort mogelijke termijn, onder overlegging van een bewijs dat de studiekosten worden betaald, in te schrijven.
Verweerder merkt op dat de strekking van de Wet Rea is het alle arbeidsgehandicapten makkelijker te maken betaalde werkzaamheden te verrichten door kosten van belemmeringen weg te nemen. Verweerder wijst er in dit verband op dat uitgebreid onderzoek is verricht naar de mogelijkheden die verzoeker met zijn medische beperkingen en zijn huidige opleiding heeft en dat uit dit onderzoek naar voren komt dat er voor verzoeker voldoende passend werk aanwezig is. Verweerder verwijst hierbij nog naar uitspraken van de Centrale Raad van Beroep en deze rechtbank. Verweerder merkt voorts op dat het feitelijk arbeidsverleden van verzoeker niet kan afdoen aan zijn theoretische verdiencapaciteit. Het vergoeden van de door verzoeker geambieerde opleiding is, aldus verweerder, dan ook niet nodig om de arbeidsgeschiktheid van verzoeker in de zin van de Wet Rea te bevorderen.
Verweerder geeft nog aan dat de voorziening die verzoeker tot op heden ontving, een voorziening was op grond van artikel 22, vierde lid, van de Wet Rea en dus duidelijk een andere voorziening is dan de voorziening waarom nu wordt gevraagd. Verweerder blijft van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet opgaat nu bij verzoeker geen sprake is van arbeidsongeschiktheid en dus, in tegenstelling tot de genoemde gevallen, geen sprake kan zijn bevordering van de arbeidsgeschiktheid."

Gelet op de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting neemt de Raad de door de voorzieningenrechter vermelde feiten, die door partijen niet zijn bestreden, als vaststaand aan.

De voorzieningenrechter heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd op de grond dat appellant, nu gedaagde een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) geniet, bij de toepassing van artikel 22 van de Wet Rea ten onrechte is uitgegaan van arbeidsgeschiktheid van gedaagde.

Het hoger beroep is hiertegen gericht. Appellant handhaaft in hoger beroep zijn eerder ingenomen standpunt. Daaraan wordt - kort samengevat - het volgende toegevoegd. Voor appellant vormt uitgangspunt dat het (dreigend) verlies aan verdiencapaciteit door de aangevraagde scholing adequaat moet kunnen worden gecompenseerd. Daarbij gaat het om de vraag of de verzekerde door het treffen van de voorziening in staat is of in de toekomst in staat zal zijn om met arbeid inkomsten te verdienen die leiden tot beëindiging van de uitkering of indeling in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse. Indien de voorziening hieraan geen wezenlijke bijdrage levert, is aan de voorwaarde dat het vermogen tot het verrichten van inkomensvormende arbeid juist door die voorziening daadwerkelijk wordt gerealiseerd, niet voldaan. Dat is volgens appellant ook het geval als het vermogen tot het verrichten van inkomensvormende arbeid, ondanks het genieten van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, in feite reeds aanwezig is, zoals in casu. Naar de mening van appellant staat het hem vrij in het kader van artikel 22 Wet Rea om de huidige mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Het enkele feit dat appellant om hem moverende redenen aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling nog geen consequenties heeft verbonden voor het recht op Wajong-uitkering, maakt dit volgens appellant niet anders. Voorts geeft appellant aan dat in het verleden aan een flink aantal auditief gehandicapten ten onrechte een arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, omdat in 1999 door een bezwaararbeidsdeskundige, in dienst van de voormalige GAK Nederland BV, in ruime interne kring een notitie is verspreid, waarin is vermeld dat verzekerden met een prelinguale doofheid voor de communicatie zijn aangewezen op communicatie met hun handen, als gevolg waarvan geen arbeid zou kunnen worden geduid die met de handen moet worden verricht. Op 10 augustus 1999 heeft appellant zijn managers bezwaar en beroep, stafverzekeringsartsen en stafarbeidsdeskundigen geïnformeerd dat genoemde notitie niet zijn standpunt weergeeft. Met de uit de beperking in het gehoor samenhangende beperkingen zijn volgens appellant tal van functies te duiden.

De Raad overweegt het volgende.

Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van genoemde wet heeft appellant tot taak de inschakeling van een arbeidsgehandicapte die recht heeft op Wajong-uitkering in het arbeidsproces te bevorderen. Daartoe verstrekt gedaagde ingevolge het derde lid van dit wetsartikel aan de arbeidsgehandicapte instrumenten als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Wet Rea, waartoe de in artikel 22, eerste en tweede lid, aanhef en onder a, van die wet genoemde scholingsvoorziening behoort.
Ingevolge artikel 10, vierde lid, van de Wet Rea, zoals die ten tijde in geding luidde, dient door gedaagde ten aanzien van de arbeidsgehandicapte, jonger dan 23 jaar en die recht heeft op een uitkering op grond van de Wajong, samen met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie een traject te worden vastgesteld gericht op inschakeling in het arbeidsproces.

Vast staat dat gedaagde per 16 september 1998 een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wajong is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Eveneens staat vast dat deze uitkering ten tijde in geding (en ook thans) niet was (is) ingetrokken of gewijzigd. Dit heeft tot gevolg dat gedaagde ten tijde in geding ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Rea, arbeidsgehandicapte was in de zin van deze wet en behoort tot de doelgroep, waarop artikel 22, eerste lid, van de Wet Rea betrekking heeft.

Gedaagde heeft het bestreden besluit gebaseerd op een zelfstandige - los van het besluit van 16 september 1998 staande - beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van gedaagde naar de maatstaven van de Wajong en is daarbij tot de conclusie gekomen dat gedaagde niet arbeidsongeschikt is in de zin van de Wajong. Hij heeft deze conclusie niet doen uitmonden in een Wajong-besluit met betrekking tot (herziening of beëindiging van) het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
De Raad is van oordeel dat het systeem van de Wet Rea, zoals blijkt uit de artikelen 2, 10 en 22 uitgaat van het al dan niet recht hebben op onder andere een Wajong-uitkering, waarbij de formele situatie, zoals deze blijkt uit door het uitvoeringsorgaan genomen besluiten in de zin van de Awb met betrekking tot de Wajong-uitkering, uitgangspunt dient te zijn. Door op de wijze als hier geschied een feitelijke Wajong-schatting in het kader van artikel 22 van de Wet Rea te verrichten, miskent appellant de formele rechtskracht van het besluit van 16 september 1998.

Nu gedaagde ten tijde in geding recht had op een Wajong-uitkering, heeft appellant ten onrechte de door hem gestelde volledige arbeidsgeschiktheid van gedaagde aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd, zodat dit besluit wegens strijd met de wet geen stand kan houden. De rechtbank heeft derhalve op juiste grond dit besluit vernietigd.

De Raad overweegt voorts het volgende.

Uitgaande van een bij gedaagde ten tijde hier in de geding bestaande arbeidsongeschiktheid, dient de vraag te worden beantwoord of voldaan is aan de in artikel 22, eerste lid, van de Wet Rea genoemde vereisten. Indien dat het geval is, is het, gelet op de aan appellant in het eerste lid van dat artikel gegeven bevoegdheid, aan appellant om te beoordelen of een voorziening als waarom is verzocht, verstrekt moet worden.

Gedaagde heeft zich zowel in de bezwaarprocedure als in de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep consistent beroepen op een aantal, met name genoemde, gevallen waarin appellant wel tot vergoeding van kosten, verbonden aan het volgen van een studie aan de University of Gallaudet (hierna: de Gallaudet-voorziening), aan dove jongeren is overgegaan. Aangegeven is dat alle verzoeken om vergoeding van opleidingskosten aan die universiteit zijn toegekend. De Raad heeft ter zitting van 10 oktober 2002 appellant verzocht aan te geven in hoeveel gevallen de Gallaudet-voorziening verstrekt respectievelijk afgewezen is. De Raad heeft de zitting vervolgens mede op verzoek van partijen geschorst om appellant de gelegenheid te geven zijn standpunt, onder meer inhoudend dat er wel afwijzingen hebben plaatsgevonden, met gegevens te onderbouwen.

Van de zijde van appellant is vervolgens een interne memo van 15 november 2002 in geding gebracht, waarin vermeld staat:
"Begin dit jaar is door Staf IR (mede op verzoek van SZW) bij de UWV-Gak-kantoren een inventarisatie gehouden van het aantal gevallen waarin om een vergoeding van de kosten van een opleiding aan de Gallaudet University is gevraagd. Voor zover door de kantoren kon worden achterhaald bleek het in totaal te gaan om 12 gevallen, waarvan 11 toekenningen (niet allemaal meer lopend) en één aanvraag waarbij door het betrokken kantoor niet is aangegeven of daarop een toekenning of een afwijzing is gevolgd. (...)"
Ter terechtzitting heeft de gemachtigde van appellant bevestigd dat alle aanvragen om toekenning van de Gallaudet-voorziening in behandeling zijn of zijn geweest bij de voormalige GAK-kantoren van het Uwv, zodat de Raad er in dit geding van uit gaat dat de in de memo genoemde inventarisatie een nagenoeg compleet beeld geeft van de besluitvorming met betrekking tot de Gallaudet-voorziening.
Uit de memo van 15 november 2002 blijkt dat vier Gallaudet-voorzieningen op grond van de AAW (oud) zijn verstrekt en dat de resterende acht zijn gebaseerd op artikel 22, eerste en tweede lid, van de Wet Rea. Ter zitting is door de gemachtigde van appellant toegelicht dat de Gallaudet-voorziening in al deze gevallen is toegekend op diverse gronden (o.a. geen arbeidsgeschiktheid aangenomen, arbeidsmarkttoets vergeten toe te passen, conversie van doventolkvoorziening naar opleidingsvoorziening, met toepassing van de arbeidsmarkttoets), maar dat al deze gronden naar zijn mening onjuist zijn.

De Raad leidt uit de gedingstukken, waaronder de interne memo's van appellant van 8 augustus 2002 en 15 november 2002 en de overgelegde toekenningsbesluiten, en het verhandelde op beide zittingen van de Raad af dat - in elk geval ten tijde in geding - appellant geen (geschreven) beleid had ontwikkeld ten aanzien van de Gallaudet-voorziening en dat in de uitvoeringspraktijk sprake was van een, afhankelijk van welke arbeidsdeskundige en welk kantoor zich met de aanvraag bezig hield, willekeurige beoordeling van de diverse verzoeken om zulk een voorziening. Die beoordeling heeft op diverse gronden - die ook op gedaagde van toepassing kunnen zijn (in dit verband merkt de Raad op dat de aanvraag na uitgebreid onderzoek is gedaan op voorstel van Kliq Drenthe, onderdeel van de voormalige GAK Nederland BV, uit hoofde van de ingevolge artikel 10 van de Wet Rea op gedaagde rustende verplichting) - in alle zeven gevallen tot resultaat gehad dat de gevraagde voorziening werd verstrekt, ook in gevallen waar het een vier- of vijfjarige opleiding betrof. De Raad acht niet aannemelijk dat deze beoordelingswijze na 10 augustus 1999 is gewijzigd. Appellant heeft niet kunnen verklaren waarom ook nog bij besluit van 26 april 2002 wederom aan een aanvrager een Gallaudet-voorziening is toegekend en heeft evenmin aangetoond dat er na 10 augustus 1999 verzoeken om een dergelijke voorziening zijn afgewezen. Voorts wordt in de door appellant ter zitting overgelegde interne notities van 1 juli 2002 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van 15 november 2002 gesproken van wijziging van beleid per komend schooljaar, respectievelijk per 1 augustus 2002.
De Raad concludeert dan ook gezien het vorenstaande dat de onderhavige weigering is genomen in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, in welke wetsbepaling geacht moet worden mede het verbod van willekeur besloten te liggen.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit is vernietigd, voor bevestiging in aanmerking komt. Appellant dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op € 805,-- voor verleende rechtsbijstand.

Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde lid, van de Beroepswet, stelt de Raad tenslotte vast dat van appellant een recht van € 327,-- dient te worden geheven.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

recht doende,

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, met dien verstande dat appellant op het bezwaar van gedaagde dient te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € 805,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Verstaat dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 327,-- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. van Netten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 december 2002.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) A. van Netten.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wet Rea | Wet Rea | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x