Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wet Rea
x
LJN:
x
AF8860
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-04-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene kan zich er niet mee verenigen dat hem de zogenoemde "Rea-status" is opgelegd, dat wil zeggen dat bij hem in verband met ziekte of beperkingen stoornissen vast te stellen zijn ten aanzien van het verrichten van arbeid.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/196 REA




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 21 november 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden en bij brief van 6 maart 2003 vragen beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 19 maart 2003. Appellant is daar niet verschenen. Gedaagde heeft zich daar laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris, werkzaam in dienst van de gemeente Amsterdam.




II. MOTIVERING


De Raad verwijst voor een weergave van relevante feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. Hij maakt deze tot de zijne.

Gedaagde heeft appellant bij besluit van 15 november 1999 aangemerkt als arbeidsgehandicapte in de zin van artikel 2, derde lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea). Hij heeft het bezwaar van appellant tegen dit besluit bij het bestreden besluit van 18 februari 2000 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op een advies van het Arbeidsbureau d.d. 27 oktober 1999 inhoudende - kort gezegd - dat bij appellant in verband met "ziekte of beperkingen stoornissen vast te stellen zijn ten aanzien van het verrichten van arbeid" en dat appellant met ingang van 16 september 1999 is aan te merken als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet Rea (Rea-status).

Appellant kan zich er niet mee verenigen dat hem de zogenoemde "Rea-status" is opgelegd. Hij heeft zich - samengevat - op het standpunt gesteld dat hem deze status niet buiten zijn wil om mag worden verleend, dat er geen sprake is van psychische belemmeringen, dat hij geen arbeidsgehandicapte is en dat het onderzoek naar de vraag of hij als arbeidsgehandicapte kan worden aangemerkt ("de Rea-toets") ondeugdelijk is geweest.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Zij was van oordeel dat gedaagde de bevoegdheid toekomt om te beoordelen of appellant arbeidsgehandicapte is in de zin van de Wet Rea en dat noch in artikel 2 noch in enige andere bepaling van die wet aanknopingspunten zijn te vinden voor het oordeel dat gedaagde die bevoegdheid niet zonder uitdrukkelijk verzoek van appellant mag uitoefenen. Ook heeft zij er op gewezen dat appellant expliciet heeft verzocht om de Rea-toets. De rechtbank heeft de stelling van appellant dat geen deugdelijk onderzoek is gedaan verworpen omdat naar haar oordeel uit de stukken is gebleken dat er een medisch en arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden en dat geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat de beoordeling op onjuiste of onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Appellant heeft in hoger beroep gepersisteerd bij zijn in eerdere aanleg verwoorde standpunt. Hij heeft daaraan nog toegevoegd dat hij uitsluitend toestemming heeft gegeven voor een Rea-advies, dat hem niet tegen zijn wil de Rea-status kan worden opgelegd en dat deze status hem belemmert bij het vinden van werk.

Gedaagde heeft in hoger beroep gepersisteerd bij zijn in het bestreden besluit neergelegde standpunt zoals onderschreven door de rechtbank.

De Raad dient, gelet op het vorenstaande, de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in rechte stand houdt.

De Raad beantwoordt die vraag als volgt.

Artikel 2, derde lid, van de Wet Rea bepaalt, voor zover hier van belang, dat tevens onder arbeidsgehandicapte wordt verstaan de persoon ten aanzien van wie op grond van een medisch-arbeidskundige beoordeling is vastgesteld, dat hij in verband met ziekte of gebrek een belemmering heeft bij het verkrijgen of verrichten van arbeid.

Artikel 2, zesde lid, van de Wet Rea bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot het derde lid.

Artikel 3, tweede lid, van de Wet Rea bepaalt, voor zover hier van belang, dat de vaststelling, bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Wet Rea, ten aanzien van een persoon die uitsluitend recht heeft op een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet geschiedt door het gemeentebestuur van de gemeente waarin die persoon woonachtig is.

De Raad stelt vast dat appellant in de gemeente [woonplaats] woont en dat aan hem uitsluitend een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet is toegekend. Hieruit vloeit, in aanmerking genomen bovengenoemde wettelijke voorschriften, voort dat gedaagde bevoegd was om vast te stellen of appellant moet worden aangemerkt als arbeidsgehandicapte in de zin van artikel 2, derde lid, van de Wet Rea.

Blijkens artikel 2 van het op artikel 2, zesde lid, van de Wet Rea gebaseerde Arbeidsgehandicaptebesluit (KB 20 juli 1998, Stb. 1998, 488), voor zover hier van belang, stelt het gemeentebestuur op verzoek van de betrokkene, dan wel ambtshalve aan de hand van een advies van een of meer deskundigen vast of een persoon een arbeidsgehandicapte is als bedoeld in de Wet Rea. Indien de betrokkene niet heeft verzocht om deze vaststelling, geschiedt zij slechts indien hij daarvoor toestemming heeft gegeven.

De Raad verwerpt het standpunt van appellant dat hij niet heeft verzocht om beoordeling van de vraag of hij aangemerkt moet worden als arbeidsgehandicapte in de zin van artikel 2, derde lid, van de Wet Rea. Uit de gedingstukken blijkt genoegzaam dat appellant heeft verzocht om een Rea-toets. Appellant heeft er blijkens de gedingstukken op 12 juli 1999 voor getekend dat hij zou worden onderworpen aan een medisch-arbeidskundig onderzoek, waarbij op het formulier is aangegeven dat het een Rea-beoordeling betrof. Dit gegeven vindt bevestiging in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de rechtbank, waarin is weergegeven dat appellant heeft verklaard dat hij heeft ingestemd met het inwinnen van Rea-advies. De Raad is, gelet hierop, van oordeel dat appellant de in artikel 2, derde lid, van het Arbeidsgehandicaptebesluit verlangde toestemming heeft verleend. Voor zover appellant beoogd heeft aan te voeren dat hij wel heeft ingestemd met het inwinnen van Rea-advies, maar niet met de beoordeling of hij aangemerkt moet worden als arbeidsgehandicapte, overweegt de Raad dat in de van toepassing zijnde wettelijke voorschriften geen steun wordt gevonden voor een dergelijk onderscheid.
Het toestemmingsvereiste heeft betrekking op de in artikel 2, eerste lid, van het Arbeidsgehandicaptebesluit bedoelde vaststelling, die gebaseerd behoort te zijn op een medisch-arbeidskundig advies door deskundigen.

Met betrekking tot de vraag of appellant terecht als arbeidsgehandicapte in de zin van artikel 2, derde lid, van de Wet Rea is aangemerkt, is de Raad van oordeel dat dit uit de verslaglegging van het door het Arbeidsbureau verrichtte medisch-arbeidskundig onderzoek en het daarop gebaseerde advies niet kan worden afgeleid. Alhoewel de aan het Arbeidsbureau verbonden arts A.P. Marlisa op het beoordelingsformulier heeft aangekruist dat er bij appellant sprake is van ziekte of gebrek en verwoord heeft dat er psychische beperkingen zijn, stelt de Raad vast dat dit standpunt overigens niet is onderbouwd met enig controleerbaar en verifieerbaar medisch gegeven. Uit het uiterst summiere onderzoek van deze arts blijkt niet dat bij appellant een psychiatrische aandoening is geconstateerd, dat hij daarvoor behandeld wordt, daarvoor medicatie gebruikt, dan wel naar zijn mening behandeling behoeft. De Raad is, gelet hierop, van oordeel dat in het onderhavige geval het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde advies bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing daarvan onvoldoende basis vormt voor de daarin vermelde slotsom dat bij appellant ten tijde in geding sprake was van psychische belemmeringen in verband met een, naar objectief medische maatstaf, als ziekte of gebrek in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet Rea aan te merken oorzaak. De Raad heeft geen aanknopingspunt gevonden voor het oordeel dat aan het wettelijk begrip ziekte of gebrek in dit artikellid een andere betekenis zou behoren toe te komen dan uit zijn vaste jurisprudentie met betrekking tot de uitleg van dit begrip in de arbeidsongeschiktheidswetten voortvloeit.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven en dat dient te worden beslist als onder III aangegeven.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde het door appellant in beroep en in hoger beroep gestorte griffierecht ten bedrage van in totaal 109,23 vergoedt;
Wijst de gemeente Amsterdam aan als de rechtspersoon die het griffierecht dient te betalen.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. R.H. de Bock als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2003.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) A. de Gooijer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wet Rea | Wet Rea | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x