Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wet Rea
x
LJN:
x
AV7895
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-03-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing van de onderwijsvoorziening voor betrokkenes zoons in de vorm van dyslexiebehandeling. Er is geen sluitende vergoedingsregeling. De Wet Rea heeft als hoofddoelstelling de bevordering van reďntegratie van arbeidsgehandicapten.
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/667 REA




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 11 december 2003, reg.nr. AWB 03-808 REA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft onder meer verslagen en facturen ingezonden terzake van de remediatie die haar zonen [zoon 1] (1989) en [zoon 2] (1991) in 2002/2003 in verband met hun dyslexie hebben ontvangen van het Instituut voor Woordblindheid en Andere Leerproblemen (IWAL).

Het geding is behandeld ter zitting van 8 februari 2006. Appellante is daar in persoon verschenen en namens gedaagde is verschenen mr. J.B. van der Horst, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende tussen partijen niet in geschil zijnde feiten.

Appellante heeft medio 2002 aan gedaagde verzocht haar - in de vorm van een onderwijsvoorziening in de zin van artikel 22, vierde lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Rea, hierna ook te noemen: de wet) - de kosten te vergoeden van de onder I vermelde dyslexiebehandeling (remediatie) van [zoon 1] en [zoon 2]. Zij heeft daarbij aangegeven dat die behandeling voor hen nodig is om regulier onderwijs te kunnen (blijven) volgen en dat geen aanspraak kan worden ontleend aan een andere regeling.

Gedaagde heeft afwijzend beslist. Bij het in bezwaar genomen besluit van 26 maart 2003 (het bestreden besluit) heeft gedaagde zijn standpunt gehandhaafd. Daartoe is overwogen dat de aanvraag van appellante valt onder de voorzieningen en personele onderwijsfaciliteiten die ingevolge artikel 9, sub a en b, (hierna: artikel 9) van het Reintegratie-instrumentenbesluit (het Besluit) niet worden beschouwd als een onderwijsvoorziening in de zin van artikel 22, vierde lid, van de wet.

In beroep heeft appellante gesteld dat wat zij vraagt geen voorziening of een faciliteit is als bedoeld in artikel 9 van het Besluit. Voorts heeft zij gewezen op artikel 11 van de Wet Rea, waarin staat dat het Uwv mede tot taak heeft te bevorderen dat belemmeringen worden weggenomen die jonggehandicapten ondervinden bij het volgen van onderwijs. In haar visie heeft zij daarom onverkort een aanspraak uit hoofde van artikel 22, vierde lid, van de wet.

Dat klemt volgens haar temeer nu andere (direct betrokken) beleidsterreinen, zoals gezondheidszorg en onderwijs, nog steeds niet voorzien in een sluitende vergoedingsregeling.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat het bestreden besluit op goede gronden is gebaseerd op het Besluit, gelet op de toepasselijke bepalingen bij en krachtens de Wet Rea en de ontstaansgeschiedenis van die wet. Dat er geen sluitende vergoedingsregeling is terzake van dyslexiebehandeling maakt dat naar haar oordeel niet anders.

In hoger beroep heeft appellante - in essentie - haar hiervoor vermelde grieven herhaald. Zij beroept zich op artikel 11, in combinatie met artikel 22, vierde lid, van de Wet Rea respectievelijk op de geest van die wet, te weten het bevorderen van (re)integratie van arbeidsgehandicapten.

De Raad overweegt als volgt.

De Wet Rea heeft als hoofddoelstelling het bevorderen van de (re)integratie van arbeidsgehandicapten. Ingevolge artikel 2 van de Wet Rea is iemand een arbeidsgehandicapte - voorzover hier van belang - als hij recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering of als medisch-arbeidskundig is vastgesteld dat hij wegens een gebrek een belemmering heeft om werk te krijgen of te verrichten. [zoon 2] en [zoon 1] behoren onbetwist niet tot die - primaire - doelgroep van de wet.

Ingevolge artikel 22, vierde lid (juncto artikel 11) van de wet heeft het Uwv tevens een aanvullende taak om jongeren, die wegens een handicap belemmeringen ondervinden bij het volgen van onderwijs, voorzieningen toe te kennen die hen in staat stellen onderwijs te volgen.

Die bepaling schept op zich zelf geen afdwingbare aanspraak op een bepaalde onderwijsvoorziening, maar verleent aan het Uwv een discretionaire bevoegdheid.
Ter zake daarvan schrijft artikel 22, zevende lid, van de Wet Rea voor dat nadere regels worden gesteld. Blijkens de Memorie van Toelichting beoogt de wetgever daarmee een afgrenzing van het terrein van de Wet Rea ten opzichte van voorzieningen die geacht worden te vallen onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OC&W) Als voorbeeld van deze categorie voorzieningen wordt vermeld ‘het verstrekken of vergoeden van extra personele faciliteiten voor mensen met een handicap’.

Artikel 9, onder b, van het Besluit, juncto artikel 22, zevende lid, van de Wet Rea, bepaalt dat niet als voorzieningen, bedoeld in het vierde lid van artikel 22 van die wet, worden aangemerkt "personele onderwijsfaciliteiten, waaronder in ieder geval worden verstaan activiteiten als remedial teaching (...) of het geven van begeleidingslessen". De nota van toelichting bij artikel 9 van het Besluit vermeldt dat personele faciliteiten voor de toepassing van artikel 22, vierde lid, van de wet naar hun aard tot het beleidsterrein van het onderwijs behoren, hetgeen overeenstemt met de uit de memorie van toelichting blijkende bedoeling van de wetgever. Deze nadere afgrenzing ligt blijkens de nota van toelichting bij artikel 9 van het Besluit overigens ook in de lijn van de afbakening in artikel 9 van het voormalige Besluit AAW-voorzieningenverstrekking (Stb. 1994,150). Ook daar werden personele voorzieningen voor leerlingen in het regulier onderwijs in beginsel geacht te vallen onder de werkingssfeer van OC&W.

Gelet op het uit de hiervoor vermelde bepalingen en wetsgeschiedenis van de Wet Rea blijkende oogmerk van de wetgever om - ook in beperkende zin - te komen tot een afbakening van de in het vierde lid van die wet opgenomen aanvullende bevoegdheid terzake van onderwijsvoorzieningen, kan niet worden gezegd dat de regelgever met de afgrenzing in artikel 9 van het Besluit buiten de grondslag is getreden van de hem in 22, zevende lid, van de wet verleende opdracht.

De verwijzing van appellante naar de in artikel 11, juncto het vierde lid van artikel 22, van de wet neergelegde bevoegdheid terzake van onderwijsvoorzieningen treft geen doel, nu het zevende lid van artikel 22 van de wet en artikel 9 van het Besluit daarvoor geen ruimte bieden. De grief dat de geest van de Wet Rea dient te prevaleren, faalt om dezelfde reden. Naar in het voorgaande mede ligt besloten vermag de Raad, evenals de rechtbank, ook overigens niet in te zien dat artikel 9 van het Besluit strijdt met een regel van geschreven of ongeschreven recht.
De onder I vermelde gegevens mede in aanmerking genomen stelt de Raad voorts vast dat de dyslexiebehandeling (remediatie) van [zoon 1] en [zoon 2] zich niet in betekenende mate onderscheidt van de in artikel 9, sub b, van het Besluit bedoelde personele faciliteiten, waaronder ingevolge die bepaling onder meer worden verstaan activiteiten als remedial teaching en begeleidingslessen. Dat wordt niet anders door het feit dat de onderhavige remediatiebehandeling (met inbegrip van de onderdelen diagnostiek en logopedie) tevens kenmerken vertoont van gezondheidszorg.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de rechtbank, nu de aanvraag van appellante afstuit op artikel 9, sub b, van het Besluit, het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten.

De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. M.I. ’t Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2006.

(get.) M.I. ’t Hooft.

(get.) R.L. Rijnen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wet Rea | Wet Rea | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x