Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wet Rea
x
LJN:
x
AZ9879
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 14-02-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in eerste aanleg wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 06/1221 REA




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 januari 2006, 04/2787 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 februari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. drs. S.J. Brunia, juridisch adviseur te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2006, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Brunia. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de daarvoor in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vastgelegde termijn van zes weken.
De rechtbank heeft daarbij overwogen geen aanleiding te zien de termijnoverschrijding met toepassing van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar te achten.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat medische omstandigheden in de weg hebben gestaan aan tijdige indiening van het beroepschrift en dat de rechtbank ten onrechte de termijnoverschrijding onverschoonbaar heeft geacht. Appellante heeft daarbij een verklaring van 20 oktober 2006 van haar huisarts W.M. Kort overgelegd.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad heeft vastgesteld dat de beroepstermijn is aangevangen op 8 juli 2004 en is geŽindigd op 18 augustus 2004, zodat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat appellante met haar beroepschrift van 21 september 2004 de beroepstermijn heeft overschreden.

In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dienaangaande heeft de rechtbank naar het oordeel van de Raad terecht geconcludeerd dat appellante geen concrete en geobjectiveerde medische gegevens heeft overgelegd op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat zij niet in staat was om tijdig tegen het besluit van 7 juli 2004 beroep in te (laten) stellen. Met de rechtbank acht de Raad de verklaring van de behandelend psychosociaal therapeut Rob Brinks daarvoor onvoldoende.

Uit de in hoger beroep door appellante overgelegde verklaring van 20 oktober 2006 van haar huisarts W.M. Kort blijkt dat appellante paniekstoornissen en fobieŽn heeft ontwikkeld en dat zij kort voor ontvangst van het bestreden besluit is bevallen van een dochter ďwaardoor zij haar hoofd niet bij Cadans hadĒ. Deze omstandigheden kunnen naar het oordeel van de Raad niet leiden tot verontschuldiging voor de overschrijding van de beroepstermijn. De Raad is van oordeel dat uit de in het dossier aanwezige stukken van medische aard onvoldoende blijkt dat appellante de gehele periode tussen 8 juli 2004 en 18 augustus 2004 buiten staat is geweest haar belangen te behartigen of te doen behartigen.

Ook hetgeen overigens door en namens appellante is aangevoerd kan de Raad niet leiden tot een ander oordeel dan hetwelk door de rechtbank is neergelegd in de aangevallen uitspraak. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.





III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2007.

(get.) H.J. de Mooij.

(get.) M. Renden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wet Rea | Wet Rea | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x