Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wamil
x
LJN:
x
AF4351
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-01-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering Wamil-uitkering omdat betrokkene ten tijde van de datum in geding niet voldeed aan de restrictieve omschrijving van het begrip belanghebbende als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, ten tweede, van de Wamil: betrokkene behoorde niet verplicht tot het reservepersoneel der krijgsmacht.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/5917 WAMIL




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 3 april 1998 heeft gedaagde appellant in verband met zijn aanvraag voor op 10 december 1992 ingetreden arbeidsongeschiktheid een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen geweigerd.

Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 20 augustus 1998 ongegrond verklaard.

De rechtbank Arnhem heeft het door appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 20 augustus 1998 (hierna: het bestreden besluit) bij uitspraak van 18 oktober 2000 ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. H.J. Weekers, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, op bij beroepschrift aangegeven gronden en onder overlegging van een bijlage tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft onder overlegging van een aantal bijlagen een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 29 juli 2002 desgevraagd een tweetal stukken ingediend.

Desgevraagd heeft gedaagde bij brief van 16 september 2002 nadere stukken overgelegd en informatie verschaft.

Bij brieven van 2, 4 en 6 december 2002 heeft de gemachtigde van appellant nadere stukken overgelegd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 december 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Weekers als zijn raadsman en waar namens gedaagde niemand is verschenen.




II. MOTIVERING


In de aangevallen uitspraak zijn de voor de oordeelsvorming in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden uitvoerig en met juistheid weergegeven. Het komt er in essentie op neer dat appellant met ingang van 1 september 1971 eervol is ontslagen als beroepsofficier bij de Koninklijke Landmacht en met ingang van dezelfde datum is benoemd en aangesteld als reservist. Op 1 juli 1992 is appellant met psychische en gehoorklachten uitgevallen uit zijn werk als zelfstandig interimmanager. Tijdens een herhalingsoefening als reservist van 18 november tot 5 december 1992 stelde appellant vast met deze klachten ook niet te kunnen functioneren als reservist. Bij Koninklijk besluit van 11 december 1996, nr. 94.001724, is appellant met ingang van 10 december 1991 eervol ontslag verleend uit de militaire dienst bij het reservepersoneel, voor een bepaalde tijd, bij de Koninklijke Landmacht. In het kader van een aanvraag van appellant om een Wamil-uitkering heeft appellant aangegeven dat als eerste arbeidsongeschiktheidsdatum, aanvankelijk gesteld op 1 mei 1996, dient te gelden 10 december 1992, waarop na een inhoudelijke beoordeling aan de hand van de criteria van de Wamil gedaagde bij het primaire besluit van 3 april 1998 de gevraagde uitkering heeft geweigerd, welk besluit gedaagde bij het bestreden besluit heeft gehandhaafd.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard omdat appellant ten tijde van de datum in geding, te weten 10 december 1992 niet voldeed aan de restrictieve omschrijving van het begrip belanghebbende in het hier van toepassing zijnde onderdeel ten tweede van artikel 1, eerste lid, onder a, van de Wamil, zoals dit artikelonderdeel is komen te luiden door de inwerkingtreding op 30 augustus 1991 van de Wet van 29 augustus 1991, Stb. 1991, 460. Volgens dit artikelonderdeel is belanghebbende als evenbedoeld hij, die verplicht tot het reservepersoneel der krijgsmacht behoort. Terzake overwoog de rechtbank als volgt:
"Bij wet van 29 augustus 1991 (Stb. 1991, 460) is de tekst van artikel 1, eerste lid, ten tweede en ten derde gewijzigd. Tot die datum luidde artikellid 2:
2) hij, die behoort tot het reservepersoneel der krijgsmacht en niet krachtens een verbintenis verplicht is tot doorlopende werkelijke dienst.

Blijkens de memorie van toelichting (vergaderjaar 1990-1991, 21845, nr. 3.) werd de categorie reservepersoneel, die krachtens een vrijwillige verbintenis verplicht is tot het verrichten van doorlopende werkelijke dienst, sedert de inwerkingtreding van het AMAR aangesteld als beroepsmilitair voor bepaalde tijd. Daarmee diende deze categorie te vervallen als belanghebbende en diende artikel 1, eerste lid, onder a van de Wamil zo te worden gewijzigd dat zij die verplicht tot het reservepersoneel behoorden, onder de werking van de Wamil bleven vallen.
Eisers gemachtigde heeft in zijn brief van 6 oktober 2000 de rechtbank bericht dat eiser behoorde tot de categorie van artikel 1, onder a ten tweede, van de Wamil zoals dat tot september 1991 luidde, te weten degene die behoort tot het reservepersoneel der krijgsmacht en niet krachtens een vrijwillige verbintenis verplicht is tot doorlopende werkelijke dienst.

In een voorts door eisers gemachtigde overgelegd schrijven van 6 oktober 2000 van het Hoofd van de Afdeling Pensioenen en Sociale Zekerheid van het ministerie van Defensie, is als volgt bericht:
"Kijkend naar artikel 1, eerste lid, onder a, ten eerste van de Wamil zoals dat artikel na de wijziging in 1991 luidt (Stb. 1991, 460) is betrokkene geen belanghebbende in de zin van de Wamil. Voor genoemde wijziging zou betrokkene wel als belanghebbende aangemerkt zijn. Voor de aanleiding van de wetswijziging verwijs ik naar de hierbij gevoegde wetsgeschiedenis. Als reden waarom dit artikel is gewijzigd wordt aangegeven dat de reservist die krachtens een vrijwillige verbintenis verplicht is tot het verrichten van werkelijke dienst sedert de inwerkingtreding van het AMAR (1 januari 1983) word aangesteld als beroepsmilitair voor bepaalde tijd. Betrokkene is echter ruim voor genoemde datum van inwerkingtreding van het AMAR bij KB van 16 juli 1971, nr. 54 aangesteld bij het reservepersoneel. Deze aanstelling is in 1983 niet omgezet in een contract voor bepaalde tijd. Kijkend naar de bedoeling van genoemde wetswijziging had eigenlijk middels een overgangsbepaling bij deze wetswijziging voorzien moeten worden in de situatie zoals geldend voor de heer [appellant] waardoor hij wel naar de letter van de wet als belanghebbende zou kunnen worden aangemerkt. Dit is niet gebeurd. Kijkend echter naar de bedoeling en de geest van de Wamil zou betrokkene als belanghebbende moeten worden aangemerkt."

Eiser heeft voorts ter zitting nader toegelicht dat men na het vijfenveertigste levensjaar (uitsluitend) als vrijwilliger werkzaam kan zijn als reservist.

Het geheel beziend, komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser niet valt onder het belanghebbende begrip, waarin de wetgever sedert 30 augustus 1991 heeft voorzien. De rechtbank is van oordeel dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten zou gaan indien zij niettegenstaande de restrictieve tekst van artikel 1, onder a, ten tweede, van de Wamil, eiser als belanghebbende zou aanmerken, zulks op grond van de bedoeling en de geest van de Wamil.

Het vorenstaande houdt in dat verweerder terecht - zij het op andere gronden dan de rechtbank aanneemt - heeft besloten eiser niet in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wamil."

De Raad onderschrijft deze overwegingen geheel en voegt daaraan nog toe dat algemene rechtsbeginselen, waaronder het rechtszekerheidsbeginsel, niet reeds om reden dat, zoals van de zijde van appellant ter zitting is aangevoerd, is vergeten de oude categorie reservisten onder de Wamil te brengen en dat appellant eigenlijk in 1992 een aanstelling voor bepaalde tijd als beroepsreservist verstrekt had moeten worden, ertoe kunnen leiden dat in weerwil van de op zich duidelijke bewoordingen van artikel 1, eerste lid, onder a, ten tweede, van de Wamil, appellant niettemin bij wege van bijvoorbeeld een redelijke wetstoepassing als belanghebbende wordt aangemerkt. Niet valt immers in te zien dat appellant niet aan de Minister van Defensie had kunnen dan wel ook thans nog kan verzoeken met de inwerkingtreding van het Algemeen militair ambtenarenreglement met ingang van 1 januari 1983 zijn aanstelling bij het reservepersoneel om te zetten in een contract voor bepaalde tijd. Hetzelfde geldt voor de periode dat appellant in 1992 op herhalingsoefening was, waarbij de Raad overigens thans in het midden laat welke betekenis voor een zodanig verzoek voor deze periode aan de wijziging van de ingangsdatum van het hiervoorgenoemde ontslag bij het Koninklijk besluit van 11 december 1996 zou moeten worden toegekend.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2003.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wamil | Wamil | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x