Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wik
x
LJN:
x
AT7043
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-05-2005
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening omdat een spoedeisend belang ontbreekt. Terugvordering van Wik-uitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter 05/2127 WIK-VV




U I T S P R A A K




inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, verzoeker,

en

[verzoeker], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I
. INLEIDING


Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Maastricht op 16 maart 2005 tussen partijen gewezen uitspraak met registratienummer 04/1335 WIK. Dit hoger beroep is bij de Raad geregistreerd onder nummer 05/1998 WIK.

Verzoeker heeft tevens verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij besluit van 17 mei 2004 heeft verzoeker de uitkering in de vorm van een geldlening op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik) van gedaagde over de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 ingetrokken en de verleende uitkering tot een bedrag van 6.481,92 van gedaagde teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat gedaagde, ondanks een gegeven hersteltermijn, niet de benodigde gegevens heeft verstrekt om (definitief) het recht op een Wik-uitkering over 2002 te kunnen vaststellen.

Bij besluit van 26 juli 2004 heeft verzoeker het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 17 mei 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 26 juli 2004 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en verzoeker opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank heeft hierbij onder meer overwogen dat verzoeker zijn besluit ten onrechte op vervallen bepalingen van de Wik heeft gebaseerd.

Verzoeker is van mening dat het besluit van 26 juli 2004 op een juiste wettelijke grondslag berust. Verzoeker heeft de bepalingen van de Wik gehanteerd zoals deze gedurende het tijdvak in geding luidden. Dit is volgens verzoeker overeenkomstig de jurisprudentie van de Raad. Verzoeker verzoekt om schorsing van de aangevallen uitspraak omdat het volgen van het standpunt van de rechtbank zou betekenen dat in situaties als de onderhavige, verzoeker steeds een besluit moet nemen dat indruist tegen de heersende jurisprudentie van de Raad.

Naar aanleiding van dit verzoek overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Hetgeen door verzoeker is aangevoerd levert geen grond op om te oordelen dat er van de zijde van verzoeker sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening. Niet is gebleken dat of waarom verzoeker desgewenst geen uitvoering zou kunnen geven aan het besluit van 17 mei 2004. Ook anderszins vormen de door verzoeker aangevoerde omstandigheden geen zodanig zwaarwegend belang dat behandeling van het hoger beroep in de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht.

Gelet op het voorgaande is het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting.

Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht is geen aanleiding.




III. BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van T.A. Willems-Dijkstra als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2005.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) T.A. Willems-Dijkstra.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wik | Wik | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x