Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wik
x
LJN:
x
AY1700
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-07-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking Wik-uitkering wegens schending van de inlichtingenverplichting. Verzwegen gezamenlijke huishouding. Boeteoplegging.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/2501 WIK en 05/2503 WIK




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 maart 2005, 04/420 en 04/959 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 4 juli 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft P. Verbiest van administratie- en advieskantoor Future F.S. & T. hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2006. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft over de periode van 1 januari 2000 tot 1 juli 2001 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (hierna: Wik) ontvangen in de vorm van een renteloze lening, naar de norm voor een alleenstaande. Hierbij heeft het College de informatie van appellant betrokken dat hij een zolderetage huurt in de woning van mevrouw [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) aan het adres [adres] te [woonplaats].

Op 1 juli 2002 heeft appellant op het “Heronderzoek-en inlichtingenformulier Wik 2001/2002” vermeld dat op 19 januari 2001 [zoon] is geboren, zoon van appellant en [betrokkene]. Vervolgens heeft het College bij een tweetal afzonderlijke besluiten van 24 oktober 2002, voorzover van belang, de uitkering over de periode van 1 januari 2000 tot 1 juli 2001 ingetrokken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant verzuimd heeft tijdig melding te maken van de geboorte van zijn zoon en voorts dat appellant niet heeft gereageerd op de uitnodiging voor een gesprek op 23 september 2002.

Bij besluit van 16 december 2003 heeft het College de tegen de besluiten van 24 oktober 2002 gemaakte bezwaren gegrond verklaard wat betreft de periode van 1 januari 2000 tot 19 januari 2001. Wat de periode van 19 januari 2001 tot 1 juli 2001 betreft is het recht op een Wik-uitkering ingetrokken op de grond dat appellant ingaande 19 januari 2001
vanwege de geboorte van zijn zoon een gezamenlijke huishouding voert met [betrokkene].
In die situatie heeft appellant geen recht op een Wik-uitkering naar de norm voor een alleenstaande.

Tevens heeft het College appellant bij brief van 4 oktober 2002 in kennis gesteld van het voornemen om hem een boete op te leggen omdat hij niet gereageerd heeft op de uitnodiging voor het gesprek op 23 september 2002 en daardoor geen medewerking heeft verleend aan het onderzoek. Appellant heeft bij brief van 17 oktober 2002 op dit voornemen gereageerd. Vervolgens heeft het College bij besluit van 31 maart 2003 appellant een boete opgelegd van € 45,-- op de grond dat appellant heeft verzuimd tijdig melding te maken van de geboorte van zijn zoon.

Het College heeft de reactie van appellant van 17 oktober 2002 aangemerkt als een tegen het besluit van 31 maart 2003 gericht bezwaar en dat bezwaar bij een afzonderlijk besluit van 16 december 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen de besluiten van 16 december 2003 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Met betrekking tot de in hoger beroep in geschil zijnde vragen of het College terecht de Wik-uitkering over de periode van 19 januari 2001 tot 1 juli 2001 heeft ingetrokken en een boete van € 45,-- heeft opgelegd, komt de Raad tot de volgende beoordeling.



Intrekking

Allereerst merkt de Raad op dat op dit geding de hierna genoemde artikelen van de - inmiddels vervallen - Wik van toepassing zijn zoals deze luidden vóór 1 januari 2004.

Ingevolge artikel 3 van de Wik wordt verstaan onder gezamenlijke huishouding: een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, van de Algemene bijstandswet (hierna: Abw). Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Abw is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. In artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw is bepaald dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

Niet in geschil is dat uit de relatie tussen appellant en [betrokkene] een kind is geboren en dat appellant en [betrokkene] ten tijde hier van belang hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

De Raad kan zich dan ook verenigen met de overweging van de rechtbank dat voormelde feiten een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw opleveren.
De Raad begrijpt de in hoger beroep aangevoerde grief van appellant aldus dat het hanteren van een dergelijk rechtsvermoeden in strijd is met artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (hierna: EVRM).

Zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 29 januari 2002, LJN AE0165, acht hij het bepaalde in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw, niet in strijd met de beginselen van een eerlijk proces en meer in het bijzonder niet met de uit artikel 6, eerste lid, van het EVRM, voortvloeiende eis van “equality of arms”. In dit verband verwijst de Raad ook naar het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2004 (LJN AO4120). De Raad komt dan ook tot de conclusie dat deze grief van appellant geen doel treft.

Dit betekent dat appellant ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Abw. Door hiervan geen melding te maken, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder c, van de Wik geschonden.

Het College was derhalve op grond van artikel 20, derde lid, aanhef en onder a, van de Wik gehouden om over te gaan tot intrekking van het recht van appellant op een Wik-uitkering over de periode van 19 januari 2001 tot 1 juli 2001. Vanwege het bestaan van een gezamenlijke huishouding, bestond immers geen recht op een Wik-uitkering naar de norm voor een alleenstaande. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, van de Wik, op grond waarvan gedaagde bevoegd was om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.

Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbend op de intrekking van de uitkering, bevestigd dient te worden.



De boete

De Raad stelt vast dat appellant bij brief van 17 oktober 2002 heeft gereageerd op het in de brief van 4 oktober 2002 neergelegde voornemen van het College om een boete op te leggen op de grond dat appellant niet heeft gereageerd op de uitnodiging voor een gesprek op 23 september 2003. Dat het College, onder toepassing van artikel 6:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), deze brief als bezwaar tegen de bij het besluit van 31 maart 2003 opgelegde boete heeft aangemerkt, acht de Raad onjuist.

Ingevolge artikel 6:10, eerste lid, van de Abw blijft ten aanzien van een voor het begin van de bezwaartermijn ingediend bezwaar- of beroepschrift, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening:
a. wel reeds tot stand was gekomen, of
b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.

Mede in aanmerking genomen de inhoud van de brief van appellant van 17 oktober 2002, waarin appellant reageert op het voornemen van het College en waarin hij vraagt hem geen boete op te leggen, is het evident dat in dit geval voor toepassing van artikel 6:10, eerste lid, van de Awb geen plaats is. Nu voorts niet is gebleken dat appellant na de bekendmaking van het besluit van 31 maart 2003 daartegen afzonderlijk bezwaar heeft gemaakt, is de Raad van oordeel dat het College ten onrechte heeft aangenomen dat appellant bezwaar heeft gemaakt tegen de bij het besluit van 31 maart 2003 opgelegde
boete.

Het voorgaande brengt mee dat het besluit van 16 december 2003 met kenmerk MEC 200207175 niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voorzover deze de boete betreft dient de worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellant voorzover dat ziet op de boete gegrond verklaren en het zojuist aangeduide besluit
wegens strijd met de artikelen 6:10, eerste lid, en 7:11, eerste lid, van de Awb
vernietigen. Nu geen bezwaarschrift voorligt waarop nog moet worden beslist, kan met deze vernietiging worden volstaan.



De proceskosten

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover deze betrekking heeft op de boete;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 16 december 2003, kenmerk MEC 200207175, gegrond;
Vernietigt dat besluit;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966, -- te betalen door de gemeente Amsterdam;
Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2006.

(get.) C. van Viegen.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ‘s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wik | Wik | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x