Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wik
x
LJN:
x
AZ0956
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-10-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de beŽindiging van de Wik-uitkering, gelet op de maximumuitkeringsduur, op de juiste datum vastgesteld? Is de periode waarover de Wik-uitkering achteraf is ingetrokken en teruggevorderd terecht meegeteld als recht op uitkering?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/6693 WIK




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 18 oktober 2005, 05/73 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelburg (hierna: College).

Datum uitspraak: 17 oktober 2006.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. J.C. van den Doel, advocaat te Zierikzee, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2006. Voor appellant is verschenen mr. Van den Doel. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.P.F. Stevense, werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst Walcheren.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sedert 27 mei 1999 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik) van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam. Deze uitkering is beŽindigd per 1 december 2002. Bij besluit van 22 april 2003 heeft dit college het recht op uitkering van appellant over de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 november 2002 ingetrokken op de grond dat appellant het college niet heeft geÔnformeerd over het feit dat hij niet langer in Amsterdam woonachtig was. Daarbij is hetgeen over die periode is uitgekeerd tot een bedrag Ä 13.502,89 van appellant teruggevorderd. Dit besluit is - inmiddels - rechtens onaantastbaar.

Op 19 augustus 2003 heeft appellant bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goes een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wik. Bij besluit van 11 november 2003 heeft dit college deze aanvraag gehonoreerd met ingang van 21 augustus 2003, waarbij ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Wik de datum van beŽindiging van de uitkering bij ononderbroken gebruik van de Wik is bepaald op 19 februari 2004. Appellant heeft bij bezwaarschrift van 3 december 2003 aangevoerd dat de datum van beŽindiging dient te worden gesteld op 19 januari 2006. Bij besluit van 19 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goes het standpunt van appellant gevolgd.

Op grond van het Besluit van 3 december 2003 (Stb. 509), tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wik in verband met het terugbrengen van het aantal centrumgemeenten belast met de uitvoering van de Wik, is de gemeente Middelburg met ingang van 1 januari 2004 aangewezen als centrumgemeente. In verband daarmee is het dossier van appellant overgedragen van de gemeente Goes naar de gemeente Middelburg.

Bij besluit van 24 mei 2004 heeft het College het recht op uitkering van appellant met ingang van 19 februari 2004 ingetrokken op de grond dat op die datum de maximumduur van het recht op uitkering was bereikt. Tevens is daarbij de over de periode van 19 februari 2004 tot 1 maart 2004 aan appellant betaalde uitkering tot een bedrag van Ä 205,07 van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 7 december 2004 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 mei 2004 ongegrond verklaard. Daarbij is het College ervan uitgegaan dat appellant vanaf 19 februari 2004 niet langer recht heeft op een uitkering op grond van de Wik omdat maximaal vier jaar recht op uitkering bestaat. Het College heeft, anders dan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goes, de periode waarover de Wik-uitkering van appellant door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam achteraf is ingetrokken en teruggevorderd meegeteld als recht op uitkering.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 7 december 2004 voor zover het de intrekking betreft ongegrond verklaard en voor zover het de terugvordering betreft gegrond verklaard en dat besluit in zoverre vernietigd.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen de intrekking ongegrond is verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De - per 1 januari 2005 vervallen - Wik is met ingang van 1 januari 2004 gewijzigd in verband met de intrekking van de Algemene bijstandswet (Abw) per die datum.

In artikel 13, eerste lid, van de Wik is bepaald dat, al dan niet aaneengesloten, gedurende ten hoogste vier jaar het recht op uitkering bestaat. Volgens het tweede lid eindigt het recht op uitkering in elk geval tien jaar na de dag met ingang van welke voor de eerste maal uitkering op grond van deze wet werd toegekend.

Ingevolge artikel 15, tweede lid en onder c, van de Wik is de kunstenaar verplicht aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag dat aan hem als uitkering wordt betaald.

Ingevolge artikel 16, eerste lid en onder c, van de Wik weigeren burgemeester en wethouders de uitkering tijdelijk geheel of gedeeltelijk, onder meer indien de kunstenaar de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 15, tweede lid en onder c, niet binnen de daarvoor door burgemeester en wethouders vastgestelde termijn is nagekomen.
In artikel 19 van de Wik is bepaald dat het recht op uitkering bestaat jegens burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft.

In artikel 20, eerste lid (tot 1 januari 2004: derde lid), van de Wik is bepaald dat onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, burgemeester en wethouders een dergelijk besluit herzien of intrekken:
a. indien een gedraging als bedoeld in artikel 16, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van een daar bedoelde verplichting heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;
b. indien anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Het College heeft zijn standpunt in het bij de rechtbank ingediende verweerschrift nader onderbouwd met een verwijzing naar de memorie van toelichting bij artikel 13 van de Wik, waarin is aangegeven dat perioden waarin de uitkering op grond van artikel 16 van de Wik geheel is geweigerd meetellen voor de periode van maximaal vier jaar waarover recht op uitkering kan bestaan.

Naar het oordeel van de Raad heeft het College de intrekking en terugvordering van de uitkering van appellant door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam over de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 november 2002 - waarbij is verwezen naar artikel 19 van de Wik - ten onrechte gelijkgesteld met een maatregel in de zin van artikel 16 van de Wik. Het feit dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, appellant over de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 november 2002 zijn inlichtingenverplichting niet op juiste wijze is nagekomen, is daarvoor in dit geval onvoldoende. Ook overigens ziet de Raad in de hiervoor aangehaalde bepalingen van de Wik geen ruimte voor een zodanige uitleg van artikel 13, eerste lid, van de Wik dat ook andere dan de in de memorie van toelichting bedoelde periodes waarin geen recht op uitkering bestaat of achteraf bezien bestond meetellen voor de periode van maximaal vier jaar waarover uitkering kan worden verleend.

Het besluit van 7 december 2004 berust derhalve, voor zover het de intrekking betreft, op een ondeugdelijke motivering. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 7 december 2004 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen voor zover het de intrekking betreft.

De Raad ziet geen gronden om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit van 7 december 2004 in stand blijven. Ingevolge het bepaalde in artikel 13 van de Wik bestaat recht op ten hoogste vier jaar uitkering al dan niet verspreid over maximaal tien jaar. Nu het recht op uitkering van appellant over de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 november 2002 op grond van artikel 19 van de Wik is ingetrokken is de termijn van vier jaar op 19 februari 2004 nog niet maximaal benut.

De Raad ziet wel aanleiding om, met gebruikmaking van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid, het besluit van 24 mei 2004 te herroepen, nu dit in wezen op dezelfde, onhoudbaar gebleken grondslag berust als het besluit van 7 december 2004.

Het voorgaande brengt mee dat het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goes van 19 maart 2004 herleeft. De Raad gaat ervan uit dat het College de gevolgen daarvan, aan de hand van de omstandigheden van appellant sedertdien - waaronder het gegeven dat hem algemene bijstand is toegekend - nader regelt.

De Raad ziet ten slotte aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, begroot op Ä 644,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 7 december 2004 voor zover het betreft de intrekking van het recht op uitkering met ingang van 19 februari 2004;
Herroept het besluit van 24 mei 2004;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van Ä 644,--, te betalen door de gemeente Middelburg;
Bepaalt dat de gemeente Middelburg aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van Ä 103,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en C. van Viegen en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) R.C. Visser.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wik | Wik | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x