Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wik
x
LJN:
x
AZ6636
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-01-2007
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de Wik-uitkering (in de vorm van renteloze lening) op de grond dat door het ontbreken van de gevraagde en in het kader van de definitieve uitkering benodigde gegevens het recht op uitkering niet kan worden vast gesteld. Schending van de inlichtingenverplichting. Een beroep op onbekendheid met de regelgeving slaagt niet omdat betrokkene duidelijk is gewezen op de verplichting om direct of uit eigen beweging mededeling te doen van alles wat van invloed kan zijn op het recht op of de hoogte van de uitkering en tevens duidelijk is gewezen op de verplichting om naar behoren een administratie te voeren en daarin desgevraagd inzage te verlenen.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/6062 WIK




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 september 2005, 04/1650 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (hierna: Commissie).

Datum uitspraak: 9 januari 2007.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellant heeft mr. P.F.M. Gulickx, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

De Commissie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2006. Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Gulickx. De Commissie heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant, afkomstig uit Irak, ontving vanaf 12 maart 2002 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik) in de vorm van een renteloze lening, naar de norm voor gehuwden.

Bij besluit van 19 februari 2004 heeft de Commissie de uitkering van appellant over de periode van 12 maart 2002 tot en met 31 december 2002 ingetrokken op de grond dat door het ontbreken van de gevraagde en in het kader van de definitieve uitkering benodigde gegevens het recht op uitkering niet kan worden vast gesteld.
Tevens is daarbij de over voornoemde periode aan appellant betaalde uitkering tot een bedrag van € 8.448,36 van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 21 juni 2004 heeft de Commissie het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 februari 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het besluit van 21 juni 2004 gegrond verklaard omdat dit besluit naar haar oordeel op een onjuiste wettelijke grondslag berust. De rechtbank heeft echter de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in stand gelaten.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 21 juni 2004 in stand heeft gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wik, zoals deze bepaling met ingang van 1 januari 2004 luidt, in samenhang bezien met artikel 16, eerste lid (oud), van de Wik en artikel 15, tweede lid, onder c (oud), van de Wik wordt een besluit tot toekenning van uitkering ingetrokken indien schending van de inlichtingenverplichting heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.

Uit de gedingstukken blijkt dat de Commissie - in het kader van de vaststelling van de (hoogte van de) definitieve Wik-uitkering op grond van artikel 9 en 10 (oud) van de Wik - appellant verschillende keren heeft gevraagd de daarvoor benodigde gegevens te verstrekken. Appellant heeft die gegevens niet binnen de daarvoor gestelde termijn aan de Commissie verstrekt. Uit de beschikbare gegevens blijkt voorts dat appellant heeft verzuimd opheldering te verschaffen omtrent de exacte hoogte van zijn inkomsten als kunstenaar in de hier van belang zijnde periode. Zo heeft appellant aan de Commissie een bedrag van € 2.650,-- als totale inkomsten over 2002 opgegeven, maar aan het adviesorgaan [naam adviesorgaan] een bedrag van € 6.400,--. Waarop die bedragen zijn gebaseerd is niet duidelijk geworden. Het door appellant aan de Commissie opgegeven bedrag aan inkomsten over 2002 spoort voorts niet met het gegeven dat appellant op 14 maart 2002 uit de verkoop van vier schilderijen een bedrag van € 1.550,-- heeft ontvangen en op 5 december 2002 uit de verkoop van enkele andere werken een bedrag van € 2.233,33, derhalve totaal € 3.783,33.

Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat appellant de ingevolge artikel 15, tweede lid, aanhef en onder c, (oud) van de Wik op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen en dat als gevolg daarvan het definitieve recht van appellant op Wik-uitkering ten tijde als hier van belang niet kan worden vastgesteld.

De grief van appellant dat hij in verband met taalproblemen en onbekendheid met regelgeving niet wist welke verplichtingen voor hem als kunstenaar van kracht waren, moet worden verworpen. In het besluit van 7 oktober 2002, waarbij aan appellant met ingang van 12 maart 2002 Wik-uitkering is toegekend, is appellant duidelijk gewezen op de verplichting om direct of uit eigen beweging mededeling te doen van alles wat van invloed kan zijn op het recht op of de hoogte van de uitkering en tevens op de verplichting om naar behoren een administratie te voeren en daarin desgevraagd inzage te verlenen. Indien een en ander voor appellant niet duidelijk was dan had hij zich voor het inwinnen van nadere inlichtingen kunnen wenden tot de sociale dienst van de gemeente Breda, dan wel eventueel tot een hulpverlenende persoon of instantie. Gesteld noch geleken is echter dat appellant op enigerlei wijze pogingen heeft ondernomen om hierover opheldering te verkrijgen.

De Raad is voorts van oordeel - gelet op het karakter van de Wik daarbij aansluiting zoekend bij zijn vaste rechtspraak inzake toepassing van de Algemene bijstandswet en de Wet werk en bijstand - dat het gegeven dat als gevolg van schending van de wettelijke inlichtingenverplichting het recht op (een definitieve) Wik-uitkering niet kan worden vastgesteld een zelfstandige (dat wil zeggen: afzonderlijke) materiële grond vormt voor intrekking van uitkering.

De Commissie was dan ook gehouden de uitkering van appellant over de periode van 12 maart 2002 tot en met 31 december 2002 in te trekken. In hetgeen appellant omtrent zijn eigen gezondheidstoestand en die van zijn echtgenote heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien. Dringende redenen kunnen naar vaste rechtspraak van de Raad slechts zijn gelegen in de onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een intrekking voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Van zodanige consequenties is de Raad in dit geval niet gebleken.

Het in de onderhavige zaak van toepassing zijnde, sedert 1 januari 2004 geldende, artikel 23d, tweede lid, van de Wik verplicht de Commissie tot terugvordering van hetgeen onverschuldigd is betaald voor zover de kunstenaar dit redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen. De Raad is van oordeel dat artikel 23d, tweede lid, van de Wik een wettelijke grondslag biedt voor terugvordering van bijstand in gevallen als het onderhavige, waarin een uitkering in de vorm van een lening wordt verstrekt in afwachting van de vaststelling van de definitieve Wik-uitkering, en deze uitkering, als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting waardoor deze vaststelling niet kan plaatsvinden, onverschuldigd blijkt te zijn betaald.

Nu appellant de uitkering (vooralsnog) ontving in de vorm van een lening, moest hij er naar het oordeel van de Raad rekening mee houden dat, indien hij de Commissie in strijd met de op hem rustende wettelijke verplichting niet de nodige informatie zou verschaffen om het recht op uitkering definitief te kunnen vaststellen, die uitkering hem ten onrechte was verleend.

Dat brengt met zich mee dat met betrekking tot de periode van 12 maart 2002 tot en met 31 december 2002 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 23d, tweede lid, van de Wik. Dit betekent dat de Commissie gehouden was de aan appellant verleende Wik-uitkering van hem terug te vorderen.

Gelet op vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit van 21 juni 2004 terecht in stand heeft gelaten, zodat het hoger beroep niet slaagt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C. van Viegen en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.N. Rijnsewijn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2007.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) P.N. Rijnsewijn.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wik | Wik | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x