Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wsw
x
LJN:
x
AE3926
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-04-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Heeft de Minister van SZW terecht de toegekende rijksvergoeding aan het openbaar lichaam verlaagd en deels teruggevorderd omdat onjuiste gegevens waren verstrekt?
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/1470 WSW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het [X.], te [Y.], appellant,

en

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 februari 2000, nr. SBR 98/2196, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 maart 2002, waar namens appellant zijn verschenen E.M. Uijting werkzaam bij voormeld openbaar lichaam en mr. P.J. Schaap, werkzaam bij Capra Zwolle. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.P.M. Schenkels en J. Zondag, beiden werkzaam bij gedaagdes ministerie.




II. MOTIVERING


1. De Raad merkt vooreerst op dat ingevolge artikel 17 van de op 1 januari 1998 in werking getreden Wet sociale werkvoorziening (Wet van 11 september 1997, Stb. 465) op de behandeling van dit geding het recht van toepassing blijft zoals dat vr de genoemde datum van inwerkingtreding van die wet gold.

1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Bij besluit van 23 januari 1996 heeft gedaagde de over het jaar 1993 aan appellant ingevolge artikel 40, eerste lid, van de tot 1 januari 1998 geldende Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) toegekende rijksvergoeding (hierna: de vergoeding) van f 16.393.400,- tot een lager bedrag herzien en in verband daarmee een bedrag van f 289.800,- van appellant teruggevorderd. Dat besluit werd na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 juli 1996. Tegen het besluit van 4 juli 1996 heeft appellant beroep bij de rechtbank ingesteld. Op 14 mei 1997 heeft appellant aan gedaagde het teruggevorderde bedrag van f. 289.800,- betaald.

1.3. In haar uitspraak van 20 januari 1998, reg. nr. 1996/2104 WSW, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de door appellant aan gedaagde verstrekte gegevens op grond waarvan gedaagde appellant de vergoeding ingevolge artikel 40 van de WSW had toegekend, onjuist waren. Op grond hiervan heeft de rechtbank overwogen dat niet kan worden geoordeeld dat gedaagde heeft gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur door bij het besluit van 23 januari 1996 de vergoeding over 1993 nader, nu met inachtneming van correcte gegevens, vast te stellen. De rechtbank was voorts van oordeel dat artikel 44 van de WSW, waarin is bepaald dat gedaagde na afloop van het jaar waarop de vergoeding betrekking heeft deze kan terugvorderen of verrekenen in een aantal in die bepaling genoemde gevallen, zich verzet tegen een aan gedaagde eventueel toekomende terugvorderingsbevoegdheid, omdat het door haar te beoordelen geval niet in die bepaling voorkomt. De rechtbank heeft het besluit van 4 juli 1996, voorzover betrekking hebbend op de terugvordering derhalve vernietigd en het besluit van 23 januari 1996 heeft zij, eveneens voorzover betrekking hebbend op de terugvordering, herroepen. Partijen hebben in die uitspraak berust.

1.4. Bij brief van 23 februari 1998 heeft appellant gedaagde verzocht om terugbetaling van het bedrag van f 289.800,- stellend dat gedaagde, gelet op de uitspraak van de rechtbank van 20 januari 1998, niet bevoegd was dat bedrag terug te vorderen.
In zijn brief van 14 juli 1998 heeft gedaagde hierop als volgt gereageerd:
In antwoord op uw bovenaangehaalde brief (...) volsta ik met u te verwijzen naar de uitspraak (...). Ik vestig met name uw aandacht op de passage op blz. 6 van genoemde uitspraak waarin de rechtbank als volgt oordeelt:
"Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat gedaagde heeft gehandeld in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur door bij het primaire besluit de rijksvergoeding over 1993 nader, nu met inachtneming van de correcte gegevens, vast te stellen."
Tegen dit schrijven heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 september 1998 heeft gedaagde dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Gedaagde heeft overwogen dat de brief van 14 juli 1998 een informatieve mededeling bevat en geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat tegen deze mededeling dan ook geen bezwaar mogelijk is.

1.5. In de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Zij is van oordeel dat de standpuntbepaling van een bestuursorgaan ter uitvoering van een uitspraak van de bestuursrechter weliswaar als een publiekrechtelijke rechtshandeling kan worden aangemerkt maar dat dit hier niet het geval is omdat de uitspraak van 20 januari 1998, waarop appellant zijn geldvordering rechtstreeks heeft gebaseerd, niet strekte tot betaling van een geldbedrag, anders dan terzake van griffierechten en proceskosten. De rechtbank was ook overigens met gedaagde van opvatting dat zijn reactie op appellants verzoek om betaling van het desbetreffende bedrag geen publiekrechtelijke rechtshandeling inhield en bijgevolg geen besluit is in de zin van de Awb. Gedaagde heeft het bezwaar van appellant volgens de rechtbank mitsdien terecht niet-ontvankelijk verklaard, zij het op naar het oordeel van de rechtbank ontoereikende, eerst in de loop van de beroepsprocedure verduidelijkte, gronden, reden waarom gedaagde door de rechtbank in de proceskosten van appellant is veroordeeld.

2. De Raad overweegt het volgende.

2.1. Gedaagde volstaat in zijn brief van 14 juli 1998 met te verwijzen naar de in die brief geciteerde passages uit de uitspraak van de rechtbank van 20 januari 1998. De Raad kan met appellant hieruit geen andere gevolgtrekking maken dan dat gedaagde daarmee een beslissing heeft genomen die onmiskenbaar strekt tot weigering het eerder teruggevorderde bedrag van f 289.800,- aan appellant te betalen.

2.2. Anders dan de rechtbank maar evenals appellant beantwoordt de Raad de vraag of die beslissing als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb moet worden beschouwd bevestigend. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WSW kent het Rijk jaarlijks aan een uitvoerder van die wet als appellant een vooraf door gedaagde vastgestelde vergoeding toe. Vr 1 oktober van het jaar waarop die vergoeding betrekking heeft, dient gedaagde het bedrag van de vergoeding mee te delen, alsmede het voorlopig vastgestelde bedrag van de vergoeding voor het daaropvolgende jaar. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad stelt vast, dat de WSW geen uitdrukkelijke grondslag biedt voor de bevoegdheid van gedaagde beslissingen te geven over uitsluitend de betaling van het bedrag aan vergoeding dat ingevolge artikel 40 van die wet is toegekend.

2.3. Niettemin houdt een beslissing met betrekking tot een betaling als waarvan hier sprake is zo nauw verband met beslissingen terzake van aanspraken die hun grondslag vinden in artikel 40 van de WSW dat de administratieve rechter, in casu de rechtbank, ook met betrekking tot een zodanige beslissing moet worden beschouwd als de meest aangewezen rechter om in de rechtsbescherming van justitiabelen te voorzien. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het uit een oogpunt van toegang tot de rechter aanbeveling verdient geschillen omtrent vergoedingen in het kader van artikel 40 van de WSW en (de weigering van) de betaling ervan, bij de administratieve rechter geconcentreerd te houden.

2.4. De Raad komt tot de conclusie dat, hoewel daarin in de WSW niet uitdrukkelijk is voorzien, een beslissing tot weigering van betaling als vervat in appellants brief van 14 juli 1998 het besluitkarakter niet dient te worden ontzegd. Het vorenstaande heeft tot gevolg dat gedaagde ten onrechte appellants bezwaar tegen het besluit van 14 juli 1998 niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. Ook de aangevallen uitspraak waarbij de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit op de in de aangevallen uitspraak vermelde gronden ongegrond heeft verklaard, komt voor vernietiging in aanmerking.

2.5. De Raad acht voorts termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, welke worden begroot op 644,- aan kosten van rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens voor zover gedaagde daarbij is veroordeeld in de proceskosten van appellant;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde opnieuw op het bezwaar beslist;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;
Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van 496,89 (voorheen f 1.095,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 april 2002.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) D. Boers.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wsw | Wsw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x