Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wsw
x
LJN:
x
AF3786
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-10-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De Minister van SZW heeft overeenkomstig zijn voornemen het budget van het werkbedrijf voor de uitvoering van de WSW verhoogd met een bedrag van € 123.780,46 als "aanvulling budget Wulbz". Onverschuldigde betaling.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/382 WSW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het Algemeen Bestuur van de Dienst Werkbedrijf voor gesubsidieerde arbeid, activering en trajecten [naam Dienst], gevestigd te [vestigingsplaats], appellant,

en

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 december 1999, nr. 99/152 WSW VI, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 19 september 2002, waar voor appellant is verschenen [naam directiesecretaris], directiesecretaris bij appellants werkbedrijf, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H.P.M. Schenkels en J. Zondag, beiden werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.




II. MOTIVERING


1.1. De Raad merkt vooreerst op dat ingevolge artikel 17 van de op 1 januari 1998 in werking getreden Wet sociale werkvoorziening (wet van 11 september 1997, Stb. 465) op de behandeling van dit geding van toepassing blijft het recht zoals dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet gold.

1.2. Op 1 maart 1996 is de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz) in werking getreden. In verband hiermee werden de ziekengeldkassen opgeheven en zijn de reserves en de verplichtingen uit hoofde van de Ziektewet overgegaan naar de wachtgeldfondsen. Daarbij kwamen de kosten van lopende Ziektewetuitkeringen op het moment van inwerkingtreding van de Wulbz, de zogeheten slotverplichtingen, ten laste van de wachtgeldfondsen. Op grond van het Besluit reservevorming slotverplichtingen ziekengeldverzekering (Stcrt. 1996, 16) dienden op de dag voorafgaande aan die van de inwerkingtreding van de Wulbz de normreserves van het wachtgeldfonds voldoende te zijn om de slotverplichtingen te dekken. Als gevolg hiervan was de toenmalige Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten (hierna: BV Overheid) genoodzaakt de afrekenpremies 1995 en 1996 zodanig vast te stellen dat aan de voorgeschreven reservepositie werd voldaan. De BV Overheid heeft daartoe aan de betrokken werkgevers, onder wie de bestuurlijke eenheden belast met de uitvoering van de Sociale Werkvoorziening, een naheffing Ziektewetpremie opgelegd. De totale omvang van deze naheffing bedroeg ongeveer 43 miljoen gulden.

1.3. Bij brief van 17 juni 1997 is appellant in kennis gesteld van gedaagdes voornemen hem een vergoeding toe te kennen voor deze naheffing Ziektewetpremie. Daarbij werd meegedeeld dat het Kabinet extra middelen voor de compensatie van de slotverplichting Ziektewet WSW ter beschikking had gesteld, op grond waarvan de voorgenomen vergoeding zou kunnen plaatsvinden. De vergoeding van de naheffing zou ambtshalve worden toegekend op grond van artikel 41, vijfde lid, van de Wet Sociale Werkvoorziening, hierna te noemen WSW (oud), en op basis van door de BV Overheid verstrekte gegevens over de (individuele) naheffing per bestuurlijke eenheid. Volgens de bij deze brief behorende bijlage bedroeg de voorgenomen tegemoetkoming naheffing Ziektewetpremie in het geval van appellant f 272.775,- (€ 123.780,46) welk bedrag zou worden toegerekend aan het WSW-budget 1997.

1.4. Bij besluit van 11 juli 1997 heeft gedaagde overeenkomstig zijn voornemen het budget van appellant voor de uitvoering van de WSW over het jaar 1997 met toepassing van artikel 41, vijfde lid, van de WSW verhoogd met een bedrag van f 272.775,- (€ 123.780,46) als "aanvulling budget Wulbz".

1.5. Bij primair besluit van 28 juli 1998 heeft de directeur Arbeidsmarkt van gedaagdes ministerie appellant meegedeeld dat uit nadere gegevens van Gak Nederland BV naar voren was gekomen dat het eerder verstrekte gegeven voor appellants werkbedrijf onjuist was gebleken en dat appellants organisatie - die sedert 1 januari 1995 eigen risicodrager was in het kader van de Ziektewet - destijds geen nota met een naheffing Ziektewetpremie had ontvangen. Dit betekende dat de grond tot de toekenning van de compensatie Wulbz was komen te vervallen en dat de vergoeding onverschuldigd was betaald. De eerder toegekende vergoeding van fl. 272.775,- (€ 123.780,46) zou worden verrekend.

1.6. Bij het bestreden besluit van 22 december 1998 heeft gedaagde appellants bezwaren tegen dat besluit, behoudens voor wat betreft de onbevoegde ondertekening door de directeur Arbeidsmarkt, ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde aangegeven dat het besluit door de directeur Arbeidsmarkt namens gedaagde had moeten worden genomen en ondertekend.

1.7. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 22 december 1998 ongegrond verklaard.

1.8. In hoger beroep stelt appellant zich primair op het standpunt dat gedaagde niet bevoegd was tot terugvordering over te gaan, omdat aan dat besluit geen besluit tot herziening of intrekking van de vergoeding ten grondslag ligt. Subsidiair is appellant van opvatting dat artikel 44 van de WSW (oud) aan terugvordering in de weg staat en dat overigens terugvordering in strijd is met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

2. De Raad overweegt het volgende.

2.1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting staat voor de Raad vast dat gedaagdes toekenningsbesluit van 11 juli 1997 berust op een fout. Appellant was immers sedert 1 januari 1995 eigen risicodrager voor de Ziektewet en heeft om die reden van de BV Overheid geen naheffing Ziektewetpremie in het kader van de Wulbz ontvangen. Appellant heeft ook erkend een dergelijke naheffing niet te hebben ontvangen. Aangezien gedaagde de compensatievergoeding uitsluitend had bedoeld voor bestuurlijke eenheden die zich wél zagen geconfronteerd met een naheffing Ziektewetpremie in het kader van de Wulbz, bestond er geen grond voor een compensatievergoeding aan appellant. De Raad stelt daarom vast dat gedaagde de toegekende vergoeding ad
f 272.775,- (€ 123.780,46) onverschuldigd aan appellant heeft betaald.

2.2. De Raad kan appellant niet volgen in zijn standpunt dat gedaagde niet bevoegd was tot terugvordering over te gaan, omdat aan het besluit tot terugvordering geen besluit tot herziening of intrekking ten grondslag lag. Het primaire besluit van 28 juli 1998 strekt onmiskenbaar mede tot intrekking van de aan appellant verleende compensatievergoeding. In dat besluit wordt immers uitdrukkelijk overwogen dat appellants organisatie destijds geen nota met een naheffing van de Ziektewet had ontvangen en dat daarom de grond tot toekenning van de compensatie Wulbz was komen te vervallen.

2.3. De Raad deelt evenmin het standpunt van appellant dat artikel 44 van de WSW (oud), waarin niet in een geval als het onderhavige is voorzien, aan de bevoegdheid tot terugvordering in de weg staat. Naar het oordeel van de Raad kan uit de tekst van die bepaling noch uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd om in geval van een kennelijke fout of vergissing, terugvordering van onterecht aan een bestuurlijke eenheid gedane toekenningen onmogelijk te maken. Zo'n onjuiste toekenning bij de verstrekking van het budget moet worden onderscheiden van de gebreken in de sfeer van de uitvoering van de Sociale Werkvoorziening waarop artikel 44 het oog heeft.

2.4. Gedaagde was derhalve bevoegd tot terugvordering van het onverschuldigd aan appellant betaalde bedrag van f 272.775,- (€ 123.780,46).

2.5. De Raad heeft in hetgeen door appellant is aangevoerd geen grond kunnen vinden voor het oordeel dat gedaagde niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot (volledige) terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met het geschreven of ongeschreven recht. Dienaangaande overweegt de Raad dat hem niet is gebleken dat van de zijde van gedaagde toezeggingen en/of mededelingen zijn gedaan waaraan appellant het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat hij wel aanspraak op bedoelde compensatievergoeding kon maken. Hetgeen aan appellant is meegedeeld in de brieven van 17 juni 1997 en 11 juni 1997 laat geen ruimte voor misverstand over het doel van de compensatie en daarmee over de groep waarvoor de compensatie was bestemd. Tot die groep behoorde appellant duidelijk niet. Appellants beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. Naar het oordeel van de Raad verschilt de positie van appellant als eigen risicodrager, wezenlijk van die van bestuurlijke eenheden die zich wel met een naheffing van Ziektewetpremie zagen geconfronteerd. Dat appellant bij de voorbereiding van het primaire besluit niet door gedaagde is gehoord, kan tenslotte - wat er zij van de vraag of gedaagde daartoe rechtens verplicht was - niet tot vernietiging leiden nu appellant in bezwaar alsnog is gehoord en niet is gebleken dat hij door deze handelwijze in enig belang is geschaad.

3. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2002.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) A. de Gooijer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wsw | Wsw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x