Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wsw
x
LJN:
x
AF5447
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-11-2002
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Beëindiging dienstbetrekking op grond van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de WSW vanwege onafgebroken verzuim gedurende twaalf maanden wegens arbeidsongeschiktheid.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/5006 WSW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het dagelijks bestuur van het Regionaal Sociaal Werkvoorzieningschap Amersfoort en omgeving (RWA), appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 augustus 2000, nr. SBR 98/1603, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 17 oktober 2002, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.E.T. Schellekens, concerndirecteur sociale zaken van het RWA, bijgestaan door mr. M.J. Aantjes, advocaat te Amersfoort. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L.A.A. Ongenae, advocaat te Zoetermeer.




II. MOTIVERING


1. De Raad merkt vooreerst op dat ingevolge artikel 17 van de op 1 januari 1998 in werking getreden Wet sociale werkvoorziening (Wet van 11 september 1997, Stb. 446) op de behandeling van dit geding het recht van toepassing blijft zoals dat vóór de genoemde datum van inwerkingtreding van die wet gold.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Gedaagde is in verband met door een verkeersongeval ontstaan hersenletsel in 1979 toegelaten tot de personenkring van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) en in voltijds dienstverband gaan werken bij het RWA. Volgens het (ongedateerde) door I. Zupan opgemaakte overzicht van de loopbaan en het ziekteverzuim, heeft gedaagde zich op 14 maart 1994 ziek gemeld en heeft hij in het daarop volgende jaar deels zijn werk volledig verzuimd, deels halve dagen gewerkt en deels twee uur per dag verzuimd. In maart 1995 is de omvang van het dienstverband teruggebracht tot 30 uren per week. Na een korte periode van ziekte in verband met griep is gedaagde op 24 april 1995 ziek geworden tengevolge van een hersenvliesontsteking. Op 23 oktober 1995 is hij op basis van arbeidstherapie voor vier uren per dag gaan werken. Op 31 januari 1996 is gedaagde opnieuw volledig uitgevallen in verband met een epileptisch insult. Ingaande 7 augustus 1996 is hij wederom bij wijze van proef voor vier uren per dag gaan werken, waarna hij op 26 oktober 1996 vanwege appellant naar huis is gestuurd. Op 28 november 1996 is in een evaluatiegesprek vastgesteld dat gedaagde te matig functioneert om arbeidsgeschikt verklaard te worden. In genoemde notitie wordt dienaangaande geconcludeerd dat er geen sprake (meer) is van vermogen om loonvormende arbeid te verrichten en dat gedaagde aangewezen is op een ander soort dagbesteding, die evenwel niet voorhanden is.

2.2. Bij besluit van 26 maart 1997, na bezwaar gehandhaafd bij het in geding zijnde besluit van 26 juni 1998, is de dienstbetrekking met gedaagde met ingang van 1 april 1997 beëindigd op grond van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de WSW: onafgebroken verzuim gedurende 12 maanden wegens arbeidsongeschiktheid.

2.3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van gedaagde gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft daartoe in hoofdzaak overwogen dat niet reeds uit het ononderbroken genieten van ZW- en WAO-uitkeringen gedurende twaalf maanden achtereen, verzuim wegens arbeidsongeschiktheid kan worden afgeleid. Het orgaan dient zich een eigen inzicht te verschaffen over de medische gronden die het ontslag moeten dragen, zeker als de betrokkene gedurende die periode een toenemend aantal uren per dag heeft gewerkt, zodat niet zonder meer van verzuim kan worden gesproken. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de beslissing van appellant om op 25 oktober 1996 de reïntegratiepogingen van gedaagde te staken, berust op het medisch inzicht dat enig(e) ziekte of gebrek gedaagde ongeschikt maakt voor WSW-arbeid, terwijl in de opvatting dat gedaagde niet goed functioneerde geen grond kan worden gevonden voor toepassing van de ontslaggrond als bedoeld in artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de WSW.

3. Ter beoordeling staat of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit.

3.1. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Evenals de rechtbank stelt ook de Raad voorop dat voor de toepassing van de WSW verzuim wegens arbeidsongeschiktheid niet kan worden afgeleid uit het ononderbroken genieten van ZW-en WAO-uitkeringen. Voorts is ook de Raad, in het licht van het imperatief gestelde artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 29 van de WSW van oordeel, dat onvoldoende gebleken is dat de ontslaggrond van eerstgenoemd artikelonderdeel zich in het voorliggende geval voordoet en dat er bij gedaagde sprake is geweest van ononderbroken verzuim gedurende 52 weken wegens arbeidsongeschiktheid.

3.2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad nog het volgende.

3.2.1. De Raad merkt op dat appellant wisselende standpunten heeft ingenomen over de aanvang van de periode van 52 weken onafgebroken verzuim. Indien die aanvraag wordt gesteld op 24 april 1995 toen gedaagde op medische gronden uitviel in verband met hersenvliesontsteking, zoals in het beroepschrift is aangevoerd, stelt de Raad - nog afgezien van de betekenis van het imperatief gestelde artikel 29 van de WSW - vast, dat appellant tussen 23 oktober 1995 en 31 januari 1996 niet (geheel) heeft verzuimd, maar gedurende 4 uren per dag op basis van arbeidstherapie heeft gewerkt. Ook als zou worden uitgegaan van de periode van 52 weken voorafgaand aan het ontslagbesluit van 26 maart 1997, geldt dat geen sprake was van een periode van 52 weken ononderbroken arbeidsongeschiktheid. Immers gedaagde heeft tussen 7 augustus 1996 en 26 oktober 1996 eveneens voor 4 uren per dag op basis van arbeidstherapie gewerkt en heeft op 26 oktober 1996 niet zelf die werkzaamheden wegens arbeidsongeschiktheid gestaakt, maar is naar huis gestuurd. Dat hij in die periode (medisch gesproken) zo ziek was dat hij om medische redenen niet tot het verrichten van zijn werkzaamheden kon worden toegelaten is uit de gedingstukken niet gebleken. Dat hij minder goed functioneerde kan niet met verzuim wegens arbeidsongeschiktheid wegens ziekte op één lijn worden gesteld, nog daargelaten dat de gedingstukken onvoldoende aantonen dat zulks te maken had met een verergering van gedaagdes handicap.

3.3. De Raad vindt voor zijn oordeel dat geen sprake is geweest van 52 weken ononderbroken verzuim steun in de eerdergenoemde ongedateerde rapportage van I. Zupan. In die rapportage is immers vermeld dat gedaagde in de proefperiode van 7 augustus 1996 tot 26 oktober 1996 heeft bewezen dat hij wel in staat is geweest om aanwezig te zijn. Dat hij niet tot regelmatige arbeid in staat zou zijn geweest en dat aan gedaagde is meegedeeld dat hij te matig functioneerde om arbeidsgeschikt verklaard te worden, kan onder die omstandigheden voor de toepassing van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de WSW niet met verzuim in de zin van dat artikelonderdeel op één lijn worden gesteld. De rapportage van I. Zupan wijst veeleer in de richting van de discretionaire ontslagbevoegdheid als genoemd in artikel 28, tweede lid, aanhef en onder d, van de WSW.

3.4. De schriftelijke verklaring van 19 april 1999 van de bedrijfsarts C.A. Le Duc brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Ook uit die verklaring blijkt niet dat gedaagde wegens arbeidsongeschiktheid zijn werk gedurende 52 weken heeft verzuimd, maar houdt qua strekking vooral in dat het functioneren van gedaagde in het najaar van 1996 onder het voor de sociale werkvoorziening vereiste minimumniveau was gezakt.

4.1. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Raad voegt daaraan toe dat waar het hier gaat om feilen die eveneens aan het primaire besluit tot ontslagverlening kleefden en die naar hun aard niet in een alsnog te nemen nieuw besluit op bezwaar kunnen worden hersteld, ook het primaire besluit van 26 maart 1997 voor vernietiging in aanmerking komt.

4.2. Voorts zal de Raad appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep ten bedrage van € 644,- voor kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 39,12 voor reiskosten.

5. Beslist is als hierna vermeld.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Vernietigt het besluit van 26 maart 1997;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep ten bedrage van € 683,12, te betalen door het Regionaal Sociaal Werkvoorzieningschap Amersfoort en omgeving;
Bepaalt dat van voornoemd werkvoorzieningschap een griffierecht van € 327,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2002.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) A. de Gooijer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wsw | Wsw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x