Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wsw
x
LJN:
x
AV2040
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-02-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht besloten dat betrokkene niet langer behoort tot de doelgroep van de Wsw?
 
 
 

 

 
Uitspraak 04/4327 WSW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het Dagelijks Bestuur van het openbaar lichaam Dethon, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg van 23 juni 2004, nrs. Awb 04/91, 04/171 VV, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Namens beide partijen zijn nog brieven gestuurd aan de Raad.

Het geding is behandeld ter zitting van 5 januari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. C.L. de Koeijer, advocaat te Terneuzen. Zoals bericht, is gedaagde niet op de zitting aanwezig of vertegenwoordigd geweest.



II. MOTIVERING


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant heeft enige jaren behoord tot de doelgroep van de sociale werkvoorziening. Laatstelijk heeft hij een zogenoemde herindicatie gekregen tot 5 april 2003. Op advies van de indicatiecommissie heeft gedaagde bij primair besluit van 4 september 2003 besloten dat appellant niet langer behoort tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). Na bezwaar is die beslissing gehandhaafd bij het door appellant bestreden besluit van 15 januari 2004.

2. Het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij heeft de voorzieningenrechter gewezen op de conclusie van de bedrijfs-/keuringsarts van 27 juni 2003 en heeft hij mede in aanmerking genomen dat gedaagdes standpunt wordt bevestigd door de bedrijfsarts Beket in zijn rapport van 11 juni 2004. Deze arts heeft gerapporteerd naar aanleiding van een zitting betreffende de behandeling van de tevens door appellant gevraagde voorlopige voorziening.

3. Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak en heeft daartoe onder meer gewezen op een, gelet op artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bevoegdheidsgebrek bij het nemen van het bestreden besluit, op onzorgvuldigheden bij de voorbereiding van het primaire besluit en van het bestreden besluit en op strijd met de wettelijke voorschriften. In het bijzonder is gesteld dat in bezwaar geen sprake is geweest van een volledige heroverweging omdat een deugdelijk (nader) advies van de indicatiecommissie ontbreekt.

4. Met betrekking tot de bevoegdheid tot het nemen van de beslissingen is er namens gedaagde op gewezen dat hier sprake is van overdracht van bevoegdheden aan hem en niet van mandaatverlening. Voorts is gesteld dat de voorbereiding van het primaire besluit heeft plaatsgevonden volgens de wettelijke voorschriften, dat over de latere inschakeling van de arts Beket overeenstemming is bereikt tussen partijen en dat deze arts het door gedaagde ingenomen standpunt ten aanzien de ondergrensindicatie van appellant ondersteunt.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Namens gedaagde, die ten tijde van het nemen van het primaire besluit en van het bestreden besluit het bestuursorgaan was dat ingevolge de Wsw, de Gemeenschappelijke regeling openbaar lichaam Dethon en de Awb bevoegd was tot het nemen van een herindicatiebesluit en tot het heroverwegen van dat besluit, is zowel het primaire besluit als het bestreden besluit genomen door de Algemeen directeur. In het derde lid van artikel 10:3 van de Awb is bepaald dat mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd met de genoemde bepaling is genomen en om die reden niet in stand kan blijven.

5.2.1. Een heroverweging in bezwaar van een beslissing als hier in geding kan niet licht plaatsvinden zonder dat het bestuursorgaan zich voor nader advies wendt tot de multidisciplinair samengestelde indicatiecommissie, waaraan de wetgever een belangrijke rol heeft toegekend bij het nemen van een (her)indicatiebeslissing. De in bezwaar namens appellant geuite grieven, mede onderbouwd met een verklaring van de revalidatiearts A.C. Hagedoorn, waren naar het oordeel van de Raad van dien aard dat gedaagde het inwinnen van nader advies niet achterwege had mogen laten. De Raad acht dit gebrek niet geheeld door het advies van de arts Beket, dat op zichzelf niet onzorgvuldig is tot stand gekomen, maar dat, gelet op de onderbouwde grieven van appellant, onderwerp van nadere bespreking had moeten zijn in de indicatiecommissie, leidend tot een nader advies.

5.2.2. Er zal met inachtneming van deze uitspraak van de Raad opnieuw op het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit moeten worden beslist. Daarbij wijst de Raad erop dat deze uitspraak niet reeds inhoudt dat appellant aanspraak heeft op een herindicatie.

5.2.3. De Raad vertrouwt erop dat gedaagde de noodzakelijke stukken spoedig ter hand zal stellen van de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen, bij welk bestuursorgaan ingevolge de wet van 30 juni 2004, Stb. 325, inmiddels de bevoegdheid berust tot het nemen van een beslissing tot (her)indicatie en dus ook tot het nemen van een beslissing op bezwaar daartegen. Het in dit verband door gedaagde genoemde artikel 17 van de Wsw heeft voor de onderhavige zaak geen betekenis, omdat in dat artikel slechts overgangsrecht is geregeld betreffende de overgang in 1998 van de oude Wet Sociale Werkvoorziening naar de nieuwe Wsw.

6. In het bovenstaande ziet de Raad aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van 644,- aan kosten van rechtsbijstand en van 13,88 aan reiskosten, en in hoger beroep tot een bedrag van 644,- aan kosten van rechtsbijstand en van 42,68 aan reiskosten, in totaal dus tot een bedrag van 1.344,56.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat een nieuwe beslissing moet worden genomen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 september 2003;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van 1.344,56, te betalen door het openbaar lichaam Dethon aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het openbaar lichaam Dethon aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 133,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Zoelen-Altunc als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) B. van Zoelen-Altunc.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wsw | Wsw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x