Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wsw
x
LJN:
x
AY6983
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vaststelling van de hoogte van de aan het werkvoorzieningschap toekomende subsidie op grond van de Wsw, onder toepassing van een vermindering van €40.000,- wegens overschrijding van de termijn voor herindicatie in een aantal gevallen.
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/486 WSW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 24 december 2004, 03/218 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

het Werkvoorzieningschap Fryslân-West (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 17 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.P.M. Schenkels en J. Zondag, beiden werkzaam bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. van der Wal, advocaat te Leeuwarden.




II. OVERWEGINGEN


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 26 september 2002 heeft appellant de voor het jaar 2000 aan betrokkene toekomende subsidie op grond van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) vastgesteld. Daarbij is, voorzover thans nog van belang, een vermindering van € 40.000,- toegepast wegens overschrijding van de termijn voor herindicatie in een aantal gevallen.

1.2. Bij het bestreden besluit van 27 januari 2003 is deze vaststelling na bezwaar gehandhaafd, met dien verstande dat het bedrag van de vermindering nader is bepaald op € 30.927,-.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepalingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat voor de toegepaste vermindering geen genoegzame wettelijke grondslag aanwezig was.

2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wsw verstrekt het Rijk aan de gemeente een subsidie voor - kort gezegd - de uitvoering van de sociale werkvoorziening. In artikel 8, derde lid, is bepaald dat de hoogte van de subsidie, overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (AMvB) gestelde regels, wordt bepaald aan de hand van - onder meer - een door appellant voor elke gemeente vast te stellen aantal dienstbetrekkingen op basis van een volledige werkweek dan wel arbeidsovereenkomsten op grond van artikel 7, alsmede een door de Minister jaarlijks vast te stellen bedrag per arbeidsovereenkomst en per dienstbetrekking.

2.2. In artikel 9, eerste lid, van de Wsw is bepaald dat appellant na afloop van het jaar de subsidie vaststelt. De vastgestelde subsidie kan van de verleende subsidie afwijken, voor zover:
a. de som van de producten van het, op basis van een volledige werkweek berekende, aantal in dat jaar gerealiseerde arbeidsjaren uit dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten als bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3 in elke arbeidshandicapcategorie en het bij die arbeidshandicapcategorie behorende bedrag als bedoeld in artikel 8, derde lid, minder bedraagt dan de verleende subsidie;
b. (...);
c. het gemeentebestuur niet handelt in overeenstemming met de bij of krachtens deze wet gestelde regels (...);
d. (...).
Ingevolge artikel 9, derde lid, worden bij of krachtens AMvB regels gesteld voor de subsidievaststelling en de gevolgen daarvan voor de subsidieverlening voor de komende jaren.

2.3. Op grond van het verhandelde ter zitting moet ervan worden uitgegaan dat appellant de in geding zijnde vermindering van het subsidiebedrag heeft doen steunen op het bepaalde in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsw. De vermindering is toegepast omdat voor een aantal door betrokkene te werk gestelde personen de geldigheidsduur van de indicatiebeschikking is verstreken zonder dat tijdig in herindicatie is voorzien. Deze personen hebben dus gedurende enige tijd zonder geldige indicatie gewerkt en de op deze wijze verrichte arbeid is door appellant bij de subsidievaststelling buiten beschouwing gelaten.

2.4. Aan de toepassing van de "a-grond" ligt de opvatting van appellant ten grondslag - welke ook is neergelegd in de toelichting op de Beleidsregels vaststelling subsidie Wet sociale werkvoorziening voor het jaar 2000 (Stcrt. 2000, 192) - dat Wsw-dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten alleen als zodanig worden aangemerkt wanneer zij voldoen aan de wettelijke voorwaarden en dat dit laatste niet het geval is indien het gaat om een persoon die niet behoort tot de doelgroep van de Wsw of van wie dit niet door middel van de in de Wsw voorziene (her)indicatie is vastgesteld. Wanneer wordt vastgesteld dat een persoon ten onrechte op een Wsw-dienstbetrekking of arbeidsovereenkomst werkzaam is, omdat niet is vastgesteld dat hij tot de Wsw-doelgroep behoort, kan alsnog worden onderzocht of aan de doelgroepcriteria wordt voldaan. Indien dit het geval is, komt zo'n dienstbetrekking in aanmerking voor subsidie zodra de Wsw-indicatie is gesteld. Subsidiëring met terugwerkende kracht is niet mogelijk, aldus de toelichting.

2.5. Naar het oordeel van de Raad getuigt de hiervóór weergegeven opvatting van appellant niet van een onjuiste wetsuitleg. Daarbij is in aanmerking genomen dat in het stelsel van de Wsw - zoals dit met name tot uitdrukking komt in de artikelen 2, 7 en 11 van die wet - het behoren tot de doelgroep van de Wsw een voorwaarde is om van uitvoering van de sociale werkvoorziening te kunnen spreken en (her)indicatie het aangewezen middel is om vast te stellen of iemand tot die doelgroep behoort. Appellant mocht zich dan ook op het standpunt stellen dat arbeid die is verricht door personen die niet over een geldige (her)indicatie beschikken niet meetelt bij de berekening van de in het subsidiejaar 2000 gerealiseerde arbeidsjaren, als in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsw bedoeld.

2.6. Voor haar oordeel dat geen sprake is van een genoegzame wettelijke grondslag heeft de rechtbank doorslaggevende betekenis toegekend aan de omstandigheid dat, hoewel artikel 9, derde lid, van de Wsw dwingend voorschrijft dat de subsidievaststelling bij of krachtens een AMvB wordt geregeld, ten tijde hier in geding geen AMvB van kracht was met regels over de bij subsidievaststelling aan niet-tijdige herindicering te verbinden gevolgen. De Raad is evenwel met appellant van oordeel dat (nadere) regels zoals door de rechtbank bedoeld niet nodig zijn in een geval als hier aan de orde, waarin artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsw zelf reeds een toereikende grondslag biedt om bij de vaststelling van de subsidie een vermindering toe te passen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 9, derde lid, van de Wsw komt ook naar voren dat de in dat artikellid bedoelde AMvB met name dient om invulling te geven aan de thans in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, neergelegde verminderingsgrond, het niet handelen in overeenstemming met wettelijke bepalingen, welke c-grond minder eenvoudig dan de a-grond gerelateerd kan worden aan prestaties en "teveel betaalde bedragen" (Kamerstukken II 1995-1996, 24 787, nr. 3, p. 57).

2.6.1. Onder deze omstandigheden kan evenmin de zienswijze van de rechtbank worden onderschreven dat is volstaan met beleidsregels waar een AMvB was vereist.

2.6.2. Opmerking verdient nog dat ten tijde hier van belang in het Besluit financieel verdeelmodel sociale werkvoorziening (Stb 1997, 468) regels waren gesteld omtrent de berekening van de subsidie als bedoeld in artikel 8 van de Wsw, alsmede omtrent de vaststelling van de subsidie als zodanig en de mogelijkheid van terugvordering of verrekening van hetgeen blijkens die vaststelling teveel is betaald. Op grond daarvan was toepassing van de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, voorgeschreven berekeningswijze zonder meer mogelijk.

2.7. Het hoger beroep treft dus doel. De Raad zal de zaak zelf afdoen.

2.8. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is niet in geschil dat het bij het bestreden besluit vastgestelde bedrag van de vermindering overeenkomt met de bij en krachtens de wet te berekenen waarde van de zonder geldige indicatie verrichte werkzaamheden en derhalve op juiste wijze is vastgesteld.

2.9. De stelling van betrokkene dat hier sprake is van een punitieve sanctie, waarvoor de vereiste wettelijke grondslag ontbreekt, gaat niet op. Blijkens het hiervóór overwogene gaat het (slechts) om het bij de vaststelling van de subsidie buiten beschouwing laten van werkzaamheden die niet voldoen aan een wezenlijk kenmerk van de activiteiten waarvoor indertijd de subsidie is verleend. Bovendien is voor het verlaagd vaststellen van de subsidie wel degelijk een wettelijke grondslag aan te wijzen, te weten het meergenoemde artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsw.

2.10. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan evenmin slagen. Het door betrokkene genoemde geval Kollum is niet met het geval van betrokkene op één lijn te stellen nu - blijkens de door appellant ter zitting gegeven toelichting - in Kollum sprake was van vertraging bij de herindicering als gevolg van een afwijkende opvatting bij de onafhankelijke indicatiecommissie met betrekking tot de samenstelling van de dossiers. Niet ten onrechte heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat dit een vorm van overmacht opleverde, maar dat de door betrokkene aangevoerde fusieperikelen, waardoor onvoldoende tijd overbleef om voor tijdige herindicatie zorg te dragen, voor rekening van betrokkene dienen te blijven.

2.11. Dat uiteindelijk voor alle betrokken personen een herindicatie is afgegeven, is onvoldoende om te oordelen dat appellant niet mocht vasthouden aan het uitgangspunt dat aan herindicaties geen terugwerkende kracht kan worden verleend.

2.12. Hetgeen overigens door betrokkene naar voren is gebracht, leidt evenmin tot het oordeel dat appellant niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

2.13. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor vernietiging in aanmerking en het beroep van betrokkene dient alsnog ongegrond te worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.W.J. Hospel.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wsw | Wsw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x