Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Wsw
x
LJN:
x
AY8139
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 31-08-2006
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is betrokkene terecht niet in aanmerking gebracht voor begeleid werken omdat bij hem sprake is van psychische klachten die zodanig ernstig zijn dat begeleid werken niet aan de orde is?
 
 
 

 

 
Uitspraak meervoudige kamer 05/1787 WSW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 25 februari 2005, 04/941 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (hierna: College).

Datum uitspraak: 31 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: Raad van bestuur) is een verweerschrift ingediend.

De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2006. Appellant is verschenen. De Raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door N. Acchiba en mr. C.C. Faviez, beiden werkzaam bij de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: CWI). Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.




II. OVERWEGINGEN


1. Bij besluit van 4 maart 2004 heeft het College met overneming van het advies van de Indicatiecommissie beslist dat appellant tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) behoort, dat hij wordt ingedeeld in arbeidshandicapcategorie zwaar, dat hij niet geïndiceerd is voor een scholingstraject en dat hij niet in aanmerking komt voor begeleid werken.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit voorzover inhoudend dat hij niet in aanmerking komt voor begeleid werken. Bij het bestreden besluit van 29 april 2004 heeft het College overeenkomstig het advies van de bezwarencommissie zijn eerdere besluit gehandhaafd. Daarbij is overwogen dat bij appellant sprake is van psychische klachten die zodanig ernstig zijn dat begeleid werken niet aan de orde is.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen dit besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat slechts één van de vier leden van de Indicatiecommissie met hem gesproken heeft. Hij acht het standpunt van de Indicatiecommissie getuigen van onverschilligheid en onzorgvuldigheid, omdat de commissie kon weten dat hij dat standpunt op grond van ervaringen in het verleden nooit zou kunnen accepteren. Blijkens de uitspraak acht de rechtbank de conclusie van de Indicatiecommissie echter kennelijk boven alle twijfel verheven. Appellant acht het besluit voorts onrechtvaardig omdat daardoor zodanige obstakels worden opgeworpen dat hij aan geen enkel arbeidsproces kan deelnemen.

4. In het verweerschrift concludeert de CWI tot handhaving van het bestreden besluit.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Namens het College is bij brief van 29 maart 2005 aan de Raad meegedeeld dat als gevolg van de overgang van de indicering voor de Wsw van de gemeenten naar de CWI, lopende zaken die op 1 april 2005 nog niet zijn afgerond, evenals bezwaar- en beroepsprocedures, worden overgedragen aan de CWI in de stand waarin zij zich dan bevinden. In verband daarmee is de CWI in kennis gesteld van het hoger beroep en is het dossier van appellant overgedragen aan de CWI.

5.2. Artikel 11 van de Wsw luidde, voorzover van belang, tot 1 januari 2005 als volgt:
1. Het gemeentebestuur stelt van personen, die voor indicatie zijn aangemeld dan wel die zich daartoe hebben aangemeld, gehoord de commissie, bedoeld in artikel 12, bij beschikking vast:
(...)
d. of de betrokkene in aanmerking komt voor toepassing van hoofdstuk 3;
(...)

5.3. Artikel 11 van de Wsw luidt, voorzover van belang, met ingang van 1 januari 2005:
1. De Centrale organisatie werk en inkomen stelt van personen, die voor indicatie zijn aangemeld dan wel die zich daartoe hebben aangemeld bij beschikking vast:
a. of deze behoren tot de doelgroep;
b. nadat is vastgesteld dat een persoon tot de doelgroep behoort:
1°. de geldigheidsduur van de indicatie;
2°. de indeling van de persoon in één van de arbeidshandicapcategorieën, die bepaald worden door de zwaarte van de aanpassing van de omstandigheden en de productiviteit.
(...)
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de bij of krachtens dit artikel aan de Centrale organisatie werk en inkomen of het college van burgemeester en wethouders opgedragen taak en de wijze van uitoefening daarvan.

5.4. Artikel 4, vijfde lid, van het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken, Stb. 2004, 491, luidt:
5. De indicatie bevat bij een geïndiceerde tevens:
a. de arbeidshandicapcategorie waarin hij is ingedeeld;
b. de geldigheidsduur van de indicatie;
c. een advies over de eventuele aanpassingen die in eerste aanleg noodzakelijk worden bevonden bij het verrichten van arbeid, en
d. een advies of hij in staat wordt geacht tot begeleid werken.

5.5. Artikel V van de Wet van 30 juni 2004, Stb. 2004, 325, welk artikel het overgangsrecht bevat luidt:
1. De bij inwerkingtreding van deze wet bij het gemeentebestuur, bedoeld in artikel 11, respectievelijk de commissie, bedoeld in artikel 12, van de Wet sociale werkvoorziening aanhangige besluiten respectievelijk adviesaanvragen, bedoeld in de artikelen 6, derde lid, 11, eerste lid, of 11, tweede lid, van die wet worden tot 13 weken na inwerkingtreding van deze wet door dat gemeentebestuur respectievelijk die commissie afgehandeld met toepassing van die wet en de daarop gebaseerde besluiten zoals deze luidde vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet. De commissie blijft voor dit doel tot genoemd tijdstip gehandhaafd.
2. Besluiten respectievelijk adviesaanvragen die na de periode bedoeld in het eerste lid nog aanhangig zijn bij het gemeentebestuur respectievelijk de commissie worden, in de stand waarin zij zich bevinden, overgedragen aan de Centrale organisatie werk en inkomen.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de bij het gemeentebestuur aanhangige bezwaarschriften.

5.6. De Raad overweegt dat het College op grond van artikel 11 van de Wsw, zoals dat artikel luidde tot de wijziging bij Wet van 30 juni 2004, Stb. 325, bij (voor bezwaar en beroep vatbare) beschikking heeft vastgesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor begeleid werken. Nu de CWI ook vanaf 1 januari 2005 dienaangaande slechts een bevoegdheid tot adviseren aan het gemeentebestuur heeft en daarom aan het gemeentebestuur en niet aan de CWI - zo nodig - kan worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen dient de Raad in het onderhavige geval het College als partij te blijven aanmerken.

6. Met betrekking tot de grieven van appellant tegen de aangevallen uitspraak overweegt de Raad dat uit de gedingstukken blijkt dat het advies van de Indicatiecommissie is gebaseerd op het aanmeldingsformulier, het verslag van een intakegesprek met de zogenoemde casemanager, op het sollicitatieprofiel van appellant, op onderzoek door een bedrijfsarts van Maetis arbo en op het verslag van een psychologisch onderzoek en een aantal testonderzoeken. Hierna heeft de Indicatiecommissie aan de hand van een voorgeschreven beslistabel het advies aan het College opgesteld. De Raad heeft geen aanknopingspunt gevonden voor de opvatting van appellant dat dit aldus tot stand gekomen advies niettemin als onzorgvuldig moet worden bestempeld.

6.1. Dat de Indicatiecommissie kon weten dat de uitkomst voor appellant onaanvaardbaar zou zijn vormt, wat daar ook van zij, geen reden de in de beslistabel voorkomende vragen over noodzaak en omvang van speciale werkbegeleiding, anders in te vullen dan voortvloeit uit de beschikbare medische en psychologische gegevens. Appellant heeft ter zitting weliswaar nog aangevoerd dat hij het met het in het medisch en psychologisch rapport gestelde niet eens is, maar hij heeft zijnerzijds geen andersluidende rapporten van een arts of psycholoog in het geding gebracht die zijn opvatting ondersteunen en die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de rapporten die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. Ook de Raad moet er daarom van uitgaan dat appellant, wanneer hij in dienst treedt bij een (gewone) werkgever, een zodanig intensieve begeleiding nodig heeft dat deze de gestelde grens van 15% te boven gaat.

7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar 31 augustus 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) O.C. Boute.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Wsw | Wsw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x