Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Zfw
x
LJN:
x
AA9002
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-10-1998
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing van het verzoek om de kosten van de ter bestrijding van de oogziekte retinitis pigmentosa beoogde behandeling door een arts in Cuba voor vergoeding door het ziekenfonds in aanmerking te brengen, omdat volgens de adviserend geneeskundige van het ziekenfonds de betrokken behandelmethode in de medische wereld zijn waarde niet wetenschappelijk heeft bewezen en ook de oogartsen in Nederland er zeer sceptisch tegenover staan.
 
 
 

 

 
Uitspraak 98/280 ZFW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

A., wonende te B., appellant,

en

Onderlinge Waarborgmaatschappij OLM Het Groene Land Zorgverzekeraar U.A., gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is mr. M. Koelewijn, bedrijfsjurist te Schijndel, op daartoe aangevoerde gronden en onder overlegging van een groot aantal stukken, in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Zutphen onder dagtekening 17 december 1998 tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), inhoudende ongegrondverklaring van appellants beroep tegen het door gedaagde ten aanzien van hem in het kader van de Ziekenfondswet genomen besluit van 7 juni 1996 (het bestreden besluit).

Gedaagde heeft een verweerschrift gedateerd 28 mei 1998 doen indienen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 augustus 1999, waar namens appellant is verschenen mr. Koelewijn, voornoemd, alsmede L. Koelewijn, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door R.W. Bestebreurtje, juridisch medewerker van gedaagde.




II. MOTIVERING


Appellant lijdt aan het Ushersyndroom, hetgeen in zijn geval een combinatie van volledige doofheid en de oogziekte retinitis pigmentosa tot gevolg heeft. Appellant heeft op 9 mei 1996 aan gedaagde verzocht om de door hem ter bestrijding van die oogziekte beoogde behandeling door dr. Orfilio Pelaez Molina te Havanna (Cuba) in het kader van de Ziekenfondswet voor zijn rekening te nemen. Bij besluit van 7 juni 1996 heeft gedaagde geweigerd dat verzoek te honoreren met als motivering dat volgens zijn adviserend geneeskundige de betrokken behandelmethode (ook wel aangeduid als de Cubatherapie) in de medische wereld zijn waarde niet wetenschappelijk heeft bewezen en ook de oogartsen in Nederland er zeer sceptisch tegenover staan.

De Commissie voor Beroepszaken van de toenmalige Ziekenfondsraad is in een op verzoek van appellant op 1 november 1996 uitgebracht advies tot de conclusie gekomen dat het besluit van gedaagde juist is. Die Commissie heeft daarbij doen wegen dat krachtens artikel 3 van het Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering voor de aanspraak op de door appellant gewenste behandeling een voorwaarde is dat deze "in de kring van de beroepsgenoten gebruikelijk is". Volgens de medisch adviseur van de Ziekenfondsraad, die zich daartoe heeft gebaseerd op eerder in soortgelijke gevallen ingesteld onderzoek, kan de beoogde behandeling op zichzelf wel in Nederland worden toegepast, maar is onvoldoende aantoonbaar dat de behandeling medisch gezien effectief is voor de aandoening. In de reguliere medische vakpers zijn namelijk geen wetenschappelijke rapporten verschenen met gedocumenteerde resultaten van de betrokken behandelingsmethode. Voor zover daarover anderszins gegevens bekend zijn wijzen deze er niet op dat de behandeling objectief gezien gunstige resultaten heeft opgeleverd. De Commissie acht de gewenste behandeling daarom niet in de kring van de beroepsgenoten gebruikelijk.

Het vervolgens door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe in het bijzonder overwogen dat van de zijde van gedaagde voldoende gegevens zijn aangedragen die de stelling schragen dat dat de Cubatherapie in Nederland niet als gebruikelijk onder de beroepsgenoten wordt beschouwd en door hen, wellicht op een enkele uitzondering na, zelfs wordt afgewezen.

In hoger beroep is namens appellant met name betoogd dat in de eerste helft van 1996 de betrokken behandelingsmethode wel als gebruikelijk in de kring van de Nederlandse beroepsgenoten werd beschouwd, nu de ongeveer 150 Nederlanders die in Cuba behandeld zijn, daarna door Nederlandse oogartsen verder behandeld zijn. Volgens de gemachtigden van appellant wordt de behandeling inmiddels ook in Europa toegepast en zou nu ook de minister van Volksgezondheid de behandeling hoogwaardig achten.

De Raad overweegt als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat ingevolge de toepasselijke regelgeving, zoals deze is uitgelegd in vaste jurisprudentie, voor de beoordeling van een geval als het onderhavige allereerst maatgevend is of een bepaalde door een verzekerde gewenste behandeling door een niet gecontracteerde, in het buitenland gevestigde, zorgverlener als in de kring van de Nederlandse beroepsgenoten gebruikelijk kan worden beschouwd. De Raad gaat er daarbij van uit dat de desbetreffende beroepsgenoten zich op de hoogte stellen van zich elders voordoende ontwikkelingen op hun vakgebied.

Het zojuist geschetste uitgangspunt in aanmerking nemend, kan de Raad zich verenigen met de overwegingen van de aangevallen uitspraak en de daarop door de rechtbank gebaseerde conclusie. De Raad voegt daaraan toe dat uit de voorhanden gegevens niet blijkt dat de Cubatherapie ten tijde voor dit geding van belang door vakgenoten buiten Cuba werd gebezigd of op wetenschappelijke gronden werd onderschreven. Hetgeen in hoger beroep zijdens appellant is aangevoerd kan aan voormelde conclusie geenszins afdoen. De Raad acht met name de zijdens appellant aangevoerde omstandigheid dat zo'n 150 Nederlanders de Cubatherapie hebben ondergaan en nadien ook nog door Nederlandse oogartsen zijn behandeld, bepaald ontoereikend om te concluderen dat die behandeling in de kring van de Nederlandse beroepsgenoten gebruikelijk is.

Hetgeen van de kant van appellant - overigens zonder dat dit is gestaafd met enig bewijsstuk - is gesteld over de ontwikkelingen na de voor dit geding van belang zijnde periode, welke eindigde op 7 juni 1996, kan niet tot het beoogde resultaat leiden reeds omdat zulks de grenzen van dit geding te buiten gaat.

Op grond van het vorenoverwogene is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van mr. M. van 't Klooster als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 1999.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) M. van 't Klooster.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Zfw | Zfw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x