Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Zfw
x
LJN:
x
AD7094
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-11-2001
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing verzoek om restitutie van de betaalde premie ingevolge de Zfw gedurende de jaren 1995, 1996 en 1997. Toekenning van restitutie van betaalde particuliere ziektekostenpremie over 38 gewerkte dagen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 00/1094 ZFW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

OWM Zilveren Kruis Ziekenfonds U.A. te Rotterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 14 juli 1998 heeft gedaagde het verzoek van appellante om restitutie van de door haar betaalde premie ingevolge de Ziekenfondswet (Zfw) gedurende de jaren 1995, 1996 en 1997 afgewezen.

Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij besluit van 25 januari 1999 (het bestreden besluit) gedeeltelijk gegrond verklaard; gedaagde heeft daarbij besloten de door appellante over door haar gewerkte dagen (38) in het tijdvak van 6 juli 1997 tot 6 juli 1998 door haar betaalde particuliere ziektekostenpremie te restitueren. Dit komt neer op een bedrag van 305,81.

De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 5 januari 2000 ongegrond verklaard.

Appellante is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij het beroepschrift aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Gedaagde heeft bij brief van 22 augustus 2001 op verzoek van de Raad nadere informatie verschaft.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 10 oktober 2001, waar appellante niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W. Autar, werkzaam bij gedaagde.




II. MOTIVERING


Ten aanzien van de voor dit geding van belang zijnde feiten en regelgeving verwijst de Raad naar de daarop betrekking hebbende overwegingen in de rubrieken I en II van de aangevallen uitspraak.

In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit, waarbij gedaagde heeft besloten de door appellante over door haar gewerkte dagen in het tijdvak van 6 juli 1997 tot 6 juli 1998 door haar betaalde premie te restitueren, in rechte stand kan houden.

Aan dit besluit heeft gedaagde ten grondslag gelegd, dat appellante binnen redelijke termijn om restitutie van door haar betaalde premie in het kader van een particuliere ziektekostenverzekering dient te vragen. In navolging van de Circulaire van de Ziekenfondsraad van 30 maart 1983 acht gedaagde een termijn van 6 maanden een redelijke termijn. Indien een betrokkene voor de eerste maal om premierestitutie verzoekt, wordt deze termijn gesteld op 1 jaar. Aangezien appellante op 16 april 1998 voor de eerste maal om restitutie heeft verzocht, is haar met een terugwerkende kracht van 1 jaar premierestitutie verleend. Gedaagde heeft de periode waarover premierestitutie is verleend na het bestreden besluit gecorrigeerd in de periode 16 april 1997 tot 16 april 1998, waarin zij, evenals in het tijdvak van 6 juli 1997 tot 6 juli 1998, 38 dagen heeft gewerkt.

De rechtbank heeft het volgende overwogen:
"Op grond van het bepaalde in artikel 25 juncto artikel 29 van het Verstrekkingenbesluit Ziekenfondsverzekering bestaat, mits is voldaan aan de door het Ziekenfonds ter zake vast te stellen voorwaarden, aanspraak op gehele of gedeeltelijke vergoeding van kosten van geneeskundige verzorging, welke niet is ingeroepen op de in artikel 9 van de Zfw voorgeschreven wijze ten gevolge van het niet ingeschreven zijn bij een ziekenfonds. Als kosten van geneeskundige verzorging kunnen in het kader van genoemde bepalingen tevens worden beschouwd premies betaald ten behoeve van verzekering voor particuliere verzorging. Deze aanspraak bestaat, kort weergegeven, op grond van het bepaalde in artikel 29 slechts indien - uiteindelijk - wel inschrijving plaatsvindt. Eiseres heeft zich niet ingeschreven voor ziekenfondsverzekering. De Zfw en de daarop rustende uitvoeringsbesluiten kennen niet de mogelijkheid tot premierestitutie indien niet wordt overgegaan tot inschrijving. Echter verweerster voert het beleid om niettemin in gevallen van het onderhavige op analoge wijze over te gaan tot restitutie. Dit door verweerster gevolgde beleid is neergelegd in de circulaire van de Ziekenfondsraad van 30 maart 1983 (SVV/VERZ nummer 132/83) inzake vaststelling dag- of weekverzekering, waarin staat (voorzover hier van belang):
"7. Inschrijving of premierestitutie
Wordt een dienstverband aangegaan voor twee maanden of voor een kortere periode (KVC kaart) dan vindt - tenzij de verzekerde uitdrukkelijk inschrijving wens - geen inschrijving plaats, maar wordt achteraf restitutie verleend van de bepaalde premie voor vrijwillige of particuliere verzekering (3e klasse) over de weken of de dagen, gedurende welke betrokkene verzekerd was. Hierbij mag als voorwaarde worden gesteld dat het verzoek om premierestitutie binnen redelijke termijn na het einde van de periode, waarop deze betrekking heeft, wordt ingediend. In dit verband zou in het algemeen een redelijke termijn van zes maanden kunnen gelden.
(...)
Nu eiseres zich niet heeft ingeschreven bij een ziekenfonds kon reeds daarom de door eiseres verlangde vergoeding van premies niet plaatsvinden. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het al dan niet toekennen van de onderhavige vergoeding in een situatie als die van eiseres een bevoegdheid van verweerster is welke discretionair van aard is. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank het bestreden besluit slechts marginaal kan toetsen, hetgeen betekent dat behoudens toetsing aan algemeen verbindende voorschriften slechts ter beoordeling staat of gezegd kan worden dat het bestreden besluit op onvoldoende gronden berust, dan wel dat verweerster bij het nemen van het besluit anderszins heeft gehandeld in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur.
De rechtbank acht het niet onredelijk dat verweerster over de periode van 7 juli 1997 tot 7 juli 1998, later gecorrigeerd in de periode van 16 april 1997 tot 16 april 1998, over 38 dagen premierestitutie heeft verleend. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat over een langere termijn premie is terugbetaald, dan op grond van de hiervoor genoemde circulaire in beginsel aangewezen was. Verweerster heeft daarbij laten meewegen dat eiseres niet bekend was met de mogelijkheid van premierestitutie."

In hoger beroep voert appellante aan dat een andere werkmaatschappij van gedaagde, bij wie zij ten tijde van belang particulier verzekerd was, zich ten koste van haar heeft kunnen verrijken doordat gedaagde van het bedrag van ruim f 2.500,-- dat zij over de jaren 1995, 1996 en 1997 aan ziekenfondspremie heeft betaald, slechts bereid is f 300,-- terug te geven. Voorts dient een ziektekostenverzekeraar volgens appellante zelf dubbele betaling te registreren en te corrigeren.

Gedaagde handhaaft haar standpunt. Zij betwist dat het voor haar mogelijk is een dubbele betaling van premies te signaleren, aangezien gedaagde niet kan zien of op iemands loon premie ingevolge de Ziekenfondswet wordt ingehouden. Bovendien betreft de uitvoering van de Ziekenfondswet een andere rechtspersoon dan de particuliere verzekeraar en is koppeling van de gegevens tussen beide bedrijven uit een oogpunt van privacy niet toegestaan.

De Raad onderschrijft de strekking van de aangevallen uitspraak zoals hiervoor weergegeven, en voegt daar nog aan toe, dat niet gebleken is van omstandigheden, op grond waarvan appellante niet in staat zou zijn geweest binnen een redelijke termijn om premierestitutie te verzoeken. Zij had, zo al niet op de maandopgave van de werkgever, in elk geval op de door haar werkgever verstrekte jaaropgave kunnen zien dat op haar loon ziekenfondspremie was ingehouden. Dat zij respectievelijk een door haar ingeschakelde derde met betrekking tot de jaren 1995 en 1996 de dubbele premiebetaling over het hoofd heeft gezien, is een omstandigheid die voor risico van appellante komt.
Aangezien appellante zich niet heeft ingeschreven als verzekerde ingevolge de Ziekenfondswet en de ziekenfondspremie door haar werkgever van haar loon is ingehouden, is het voor gedaagde vrijwel onmogelijk een dubbele verzekering of betaling te signaleren. Reeds hierom treft het argument van appellante, dat gedaagde de dubbele betaling had kunnen signaleren geen doel.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht - ten slotte - geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 november 2001.

get.) M.I. 't Hooft.

(get.) A.H. Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Zfw | Zfw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x