Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Zfw
x
LJN:
x
AH9641
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-02-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De consequentie van onderbreking van het wachtjaar voor de ziekenfondsverzekering bij WW-uitkering.
 
 
 

 

 
Uitspraak 01/4679 ZFW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 21 februari 2000 heeft appellant ongegrond verklaard de bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 10 november 1999, waarbij appellant heeft vastgesteld dat voor gedaagde na afloop van een periode van arbeidsongeschiktheid, te weten vanaf 9 augustus 1999 een nieuwe wachttijd van een jaar is gaan lopen voor de verzekering ingevolge de Ziekenfondswet (Zfw) en hij deswege aangewezen blijft op een particuliere ziektekostenverzekering.

De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 27 juli 2001 het door gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaarschrift van gedaagde te nemen met inachtneming van deze uitspraak, appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en bepaald dat het griffierecht door het Uwv dient te worden vergoed.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 24 september 2001 aangevoerde gronden van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen.
Namens gedaagde heeft mr. C.M.H. Hermans, advocaat te Maastricht, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 januari 2003, waar voor appellant is verschenen mr. A.E.M. Kuppens, werkzaam bij het Uwv, en waar voor ge-daagde is verschenen mr. Hermans, voornoemd.




II. MOTIVERING


Aan gedaagde is met ingang van 3 december 1998 een loongerelateerde uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Voor die datum had gedaagde een particuliere ziektekostenverzekering. De aan gedaagde krachtens de WW toegekende uitkering is met ingang van 1 juli 1999 beŽindigd in verband met het feit dat hij zich per die datum ziek had gemeld. Per 9 augustus 1999 was gedaagde weer arbeidsgeschikt. Bij brief van 19 augustus 1999 heeft appellant gedaagde laten weten dat hij opnieuw in aanmerking komt voor een uitkering krachtens de WW en dat zijn ziekteperiode niet van invloed is op de maximale uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering, nu hij korter dan drie maanden ziek is geweest. Naar aanleiding van een door gedaagde ingezonden vragenformulier over de ziekenfondsverzekering heeft appellant bij besluit van 10 november 1999 vastgesteld dat, nu gedurende de periode van 1 juli 1999 tot 9 augustus 1999 sprake is geweest van een uitsluitingsgrond voor de verzekering ingevolge de Zfw, er een onderbreking van het wachtjaar heeft plaatsgevonden met als gevolg dat er vanaf 9 augustus 1999 een nieuw wachtjaar is gaan lopen. Bij besluit van 21 februari 2000 heeft appellant onder verwijzing naar artikel 3 van de Zfw en artikel 7 van de Ziektewet (ZW) zijn besluit van 10 november 1999 gehandhaafd.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a, sub 1, van de Zfw, zoals dit artikel luidde in 1999, is verzekerd de werknemer in de zin van de ZW, wiens loon, verdiend in een of meer dienstbetrekkingen in de zin van de ZW, niet meer bedraagt dan f 64.300,-- per jaar, met dien verstande dat ten aanzien van degene die ingevolge artikel 7 van de ZW als werknemer in de zin van die wet wordt beschouwd, gedurende het eerste jaar voor zover hij recht heeft op een werkloosheidsuitkering berekend naar 70% van het dagloon, de verzekering ingevolge deze wet wordt beoordeeld naar zijn verzekeringssituatie zoals deze gold op de dag voorafgaand aan die waarop dat artikel op hem van toepassing werd. Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de ZW bepaalt dat voor de toepassing van deze wet als werknemer wordt beschouwd degene, die krachtens de verplichte verzekering op grond van de WW uitkering ontvangt.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de visie van gedaagde gedeeld dat in artikel 3, eerste lid, sub 1, van de Zfw niet valt te lezen dat na zijn periode van arbeidsongeschiktheid weer een nieuw wachtjaar is gaan lopen. Daarbij heeft de rechtbank gewezen op de wettelijke tekst, waarin naar haar oordeel niet uitdrukkelijk de door appellant voorgestane uitleg is te vinden. Naar het oordeel van de rechtbank moet voor een zo ingrijpende (negatieve) standpuntbepaling als vervat in het bestreden besluit een uitdrukkelijke en niet voor meerdere uitleg vatbare bepaling in de wet kunnen worden aangewezen, hetgeen niet het geval is. De door appellant veronderstelde onderbreking van het wachtjaar vindt dan ook geen basis in de wet. Bij haar oordeelsvorming heeft de rechtbank betrokken 's Raads uitspraak van 16 maart 2000, gepubliceerd in RSV 2000/124.

Appellant kan zich met het oordeel waartoe de rechtbank is gekomen, niet verenigen. Naar zijn mening volgt uit de wettelijke bepalingen dat voor de verzekeringssituatie van gedaagde bepalend is het gegeven dat hij particulier verzekerd was op de dag, voorafgaande aan de dag waarop zijn uitkering krachtens de WW herleefde. Uit deze bepalingen volgt rechtstreeks dat een nieuw wachtjaar is aangevangen op 9 augustus 1999. Naar de mening van appellant is voor de opvatting van de rechtbank geen steun te vinden in de door haar aangehaalde uitspraak. Voorts heeft appellant gewezen op de Wet van 16 juli 2001 tot wijziging van de Zfw in verband met (onder meer) samentelling van uitkeringstijdvakken ingevolge de WW voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, onder a, van die wet (Stb. 386), bij welke wet een nieuw lid aan artikel 3 van de Zfw is toegevoegd, luidende:
"13. Voor de toepassing van het eerste lid, onder a, sub 1, worden perioden waarin recht op uitkering op grond van de WW bestaat samengeteld indien het recht op uitkering na gehele eindiging van dat recht herleeft op grond van artikel 21 van die wet. Voor de toepassing van de eerste volzin worden perioden waarin recht op uitkering op grond van de WW bestaat gelijkgesteld, perioden waarin geen recht bestaat op die uitkering op grond van het feit dat betrokkene een uitkering krachtens de ZW ontvangt."
Daarbij heeft appellant er tevens op gewezen dat aan deze wetswijziging geen terugwerkende kracht is toegekend.

Van de kant van gedaagde is betoogd dat de door appellant voorgestane uitleg leidt tot een onredelijke, door de wetgever niet bedoelde toepassing. Met de wetswijziging is dan ook naar zijn mening beoogd deze uitleg uit te sluiten.

De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit artikel 3, eerste lid, onder a, sub 1, van de Zfw in samenhang met artikel 7 van de ZW voortvloeit dat in het geval van gedaagde gedurende de periode dat hij arbeidsongeschikt was er sprake was van een uitsluitingsgrond voor de verzekering ingevolge de Zfw met als gevolg dat voor hem op 9 augustus 1999 een nieuw wachtjaar voor deze verzekering is gaan gelden. Bepalend was de verzekeringssituatie van gedaagde op de dag voorafgaande aan de dag waarop hij weer in aanmerking kwam voor een uitkering krachtens de WW. Naar het oordeel van de Raad is er te dezen geen sprake van een voor meerdere uitleg vatbare bepaling.
Hieraan kan niet afdoen dat zulks in de situatie van gedaagde nadelig heeft uitgewerkt. De Raad tekent hierbij aan dat niet in alle gevallen sprake is van een nadeel. Zulks is afhankelijk van de persoonlijke situatie van betrokkene. De Raad overweegt voorts dat blijkens de wetsgeschiedenis met de Wet van 16 juli 2001 niet beoogd is een door de wetgever niet bedoelde uitleg uit te sluiten. Met deze wet is beoogd de uitsluitingsregeling in de Zfw te laten aansluiten bij de systematiek van de WW. Beoogd is om in het vervolg pas bij het ontstaan van een nieuw recht op een uitkering krachtens de WW een nieuwe uitsluitingstermijn van een jaar te laten aanvangen en niet langer bij een herleving van het recht op zodanige uitkering na een periode van ziekte of na het aanvaarden van een tijdelijk dienstverband. Met dit laatste is tevens gegeven dat in 's Raads uitspraak van 16 maart 2001 geen steun is te vinden voor de opvatting van de rechtbank en gedaagde.

Aangezien aan de in de Wet van 16 juli 2001 vervatte wetswijziging geen terugwerkende kracht is toegekend, volgt uit het vorenstaande dat het hoger beroep slaagt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Huls als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2003.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Zfw | Zfw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x