Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Zfw
x
LJN:
x
AO5860
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De gevolgen van het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule voor de bezwaartermijn.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/3632 ZFW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de onderlinge waarborgmaatschappij Amicon Zorgverzekeraar Ziekenfonds U.A., gevestigd te Enschede, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. E.R. Boevink, werkzaam bij CNV Rechtshulp te Apeldoorn, op de bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 4 juni 2002, reg.nr. 01/979 ZFW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 23 december 2003, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat, gelet op de gedingstukken, uit van de volgende feiten.

Appellante, die werkzaam was als ambtenaar, was medeverzekerd in de verplichte verzekering ingevolge de Ziekenfondswet (hierna: Zfw) van haar echtgenoot.

Met ingang van 1 januari 2000 is artikel 4, zestiende lid, van de Zfw gewijzigd. Als gevolg daarvan was medeverzekering van appellante in de verplichte Zfw-verzekering van haar echtgenoot wettelijk niet langer mogelijk.

Per 1 juli 2000 heeft appellante gebruik gemaakt van de zogenoemde FPU-regeling. Daarvan heeft zij op 1 februari 2001 aan gedaagde mededeling gedaan.

Bij rondschrijven van 21 maart 2001 heeft het College voor zorgverzekeringen de zorgverzekeraars - waaronder gedaagde - herinnerd aan de wetswijziging per 1 januari 2000.

Naar aanleiding daarvan heeft gedaagde haar verzekerdenbestand gecontroleerd en daartoe ten aanzien van appellante inlichtingen ingewonnen bij USZO ABP te Heerlen als uitvoeringsinstelling van de FPU-regeling.

Vervolgens heeft gedaagde bij primair besluit van 21 juni 2001 - verzonden op die datum - de inschrijving van appellante als medeverzekerde in de verplichte Zfw-verzekering van haar echtgenoot per 1 augustus 2001 op grond van artikel 4, zestiende lid, van de Zfw beŽindigd. Daarbij is, in strijd met artikel 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet vermeld dat bezwaar kon worden gemaakt.

Per 1 augustus 2001 heeft appellante bij gedaagde een particuliere ziektekostenverzekering afgesloten.

Namens appellante heeft mr. Boevink bij brief van 22 augustus 2001 tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit van 30 oktober 2001 heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en vervolgens geoordeeld dat die termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen dit oordeel van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt op dit punt tot de volgende beoordeling.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad dwingt het door het bestuursorgaan niet opvolgen van het voorschrift van artikel 3:45 van de Awb niet zonder meer tot de conclusie dat het te laat maken van bezwaar verschoonbaar (in de zin van artikel 6:11 van de Awb) moet worden geacht, maar zijn daarvoor - kort gezegd - bijkomende omstandigheden nodig.

Naar het oordeel van de Raad doen zich in het voorliggende geval dergelijke bijkomende omstandigheden voor. Gelet op de bewoordingen van de brief van gedaagde van 21 juni 2001 waarin het primaire besluit is vervat (inhoudende enerzijds de mededeling dat de medeverzekering in de verplichte Zfw-verzekering van haar echtgenoot wordt beŽindigd, en anderzijds de mededeling dat gedaagde appellante van dienst kan zijn met een particuliere ziektekostenverzekering en dat desgevraagd een vrijblijvende offerte kan worden toegestuurd), en voorts gelet op de ondertekening van die brief ("Met vriendelijke groet, (...), hoofd Verzekerdenadministratie)", hoefde appellante er niet op bedacht te zijn dat het ging om een beslissing afkomstig van een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Awb. Blijkens het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank is bovendien na ontvangst van de brief van 21 juni 2001 tussen een of meer medewerkers van gedaagde en de zwager van appellante een telefonische discussie op gang gekomen, waarbij appellante de weg is gewezen naar diverse andere instellingen. Toen na enkele weken bleek dat (ook) die instellingen geen voor appellante bevredigende oplossing konden bieden, heeft appellante CNV Rechtshulp ingeschakeld, waarna binnen korte tijd - alsnog - bezwaar is gemaakt.

Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

Voor terugwijzing van de zaak naar de rechtbank is geen aanleiding. Partijen hebben de Raad ook verzocht de zaak ten gronde af te doen.

In het kader van het beroep bij de rechtbank heeft appellante - kort weergegeven - het volgende aangevoerd. Appellante is door gedaagde niet eerder dan bij de brief van 21 juni 2001 van de wetswijziging per 1 januari 2000 op de hoogte gesteld. Doordat gedaagde appellante niet tijdig heeft geÔnformeerd, is appellante ernstig in haar belangen geschaad. Als zij tijdig was ingelicht, had zij bij de afweging om al dan niet gebruik te maken van de FPU-regeling het gegeven kunnen betrekken dat zij dan aangewezen zou zijn op een - veel duurdere - particuliere ziektekostenverzekering. Bovendien had zij, als zij tijdig op de hoogte was gesteld, ervoor kunnen kiezen zich voorafgaand aan haar ontslag als ambtenaar nog aan te melden als deelnemer aan de IZA Nederland-regeling, welke deelname dan na haar ontslag zou zijn voortgezet. Volgens appellante heeft gedaagde aldus het rechtszekerheidsbeginsel geschonden. Daaraan zou de consequentie moeten worden verbonden dat gedaagde de medeverzekering in de verplichte Zfw-verzekering van haar echtgenoot per 1 augustus 2001 dient te continueren.

De Raad is van oordeel dat het beroep van appellante niet slaagt.

Er is - daargelaten dat een dergelijke gedragslijn op zichzelf wenselijk zou zijn - geen geschreven of ongeschreven rechtsregel noch een algemeen rechtsbeginsel aan te wijzen op grond waarvan op gedaagde in algemene zin de verplichting zou rusten haar verzekerden te informeren over een wetswijziging als hier aan de orde. Er is geen grond om te oordelen dat dit in het geval van appellante anders zou zijn. Hoewel te betreuren valt dat gedaagde eerst na ontvangst van het rondschrijven van het College voor zorgverzekeringen van 21 maart 2001 ertoe is overgegaan haar verzekerdenbestand te controleren, kan gedaagde daarom rechtens geen verwijt worden gemaakt van de nadelige gevolgen die voor appellante uit de beŽindiging van de medeverzekering in de verplichte Zfw-verzekering van haar echtgenoot zijn voortgevloeid. De Raad merkt daarbij nog op dat het op de weg van appellante had gelegen om zich, voorafgaande aan haar beslissing om al dan niet van de FPU-regeling gebruik te maken, tot gedaagde te wenden met het verzoek om te bezien of daaruit consequenties voor haar Zfw-(mede)verzekering zouden voortvloeien. Dat heeft appellante echter niet, althans niet tijdig, gedaan. Uit het voorgaande volgt dat er geen grond is om gedaagde gehouden te achten de medeverzekering van appellante in de Zfw-verzekering van haar echtgenoot, in strijd met de wet, te continueren.

Dit betekent dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op Ä 322,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende,

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van Ä 322,--;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van Ä 82,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2004.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) R.L. Rijnen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Zfw | Zfw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x