Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Zfw
x
LJN:
x
AO6398
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Borstcorrectie; afwijkingen in het uiterlijk die gepaard gaan met aantoonbare functiestoornissen.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/2977 ZFW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de onderlinge waarborgmaatschappij OZ zorgverzekeringen U.A, gevestigd te Breda, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. J.F.J. van den Hoek, advocaat te Spijkenisse, op de bij het aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 april 2002, reg.nr. ZFW 01/2651.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 4 februari 2004, waar appellant niet is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. T. Donga en drs. A. Veerman, jurist respectievelijk medisch adviseur in dienst van gedaagde.




II. MOTIVERING


Voor de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende, uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gebleken, feiten en omstandigheden.

De plastisch chirurg M.I.M. Schermer Voest heeft op 14 maart 2001 ten behoeve van appellante een machtiging gevraagd voor een plastisch-chirurgische behandeling in de vorm van borstvergroting. Op deze aanvraag heeft hij melding gemaakt van psychische problematiek.

Bij het primaire besluit van 2 mei 2001 heeft gedaagde overeenkomstig het advies van haar medisch adviseur Veerman de aanvraag afgewezen.

Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde bij het bestreden besluit van 23 oktober 2001 in overeenstemming met het advies van het College voor zorgverzekeringen van 15 oktober 2001 ongegrond verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat geen sprake is van afwijkingen in het uiterlijk die gepaard gaan met aantoonbare functiestoornissen of van verminkingen als gevolg van ziekte, ongeval of geneeskundige verrichting, zodat niet is voldaan aan de indicatievereisten die zijn gesteld in artikel 2 van de Regeling medisch-specialistische hulp Ziekenfondswet (hierna: de Regeling).

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van de Regeling bestaat slechts aanspraak op behandeling van plastisch-chirurgische aard indien de behandeling strekt tot correctie van afwijkingen in het uiterlijk die gepaard gaan met aantoonbare functiestoornissen.

Appellante heeft in hoger beroep, evenals in beroep, aangevoerd dat zij op grond van deze bepaling aanspraak heeft op de aangevraagde behandeling. Zij stelt uit schaamte voor haar kleine borsten psychische klachten te hebben ontwikkeld, waardoor bij haar lichamelijke klachten als slaap- en eetstoornissen zijn ontstaan.

Met ingang van 1 februari 2000 is de toepasselijke regelgeving zodanig gewijzigd dat psychisch lijden als gevolg van een afwijking in het uiterlijk geen indicatie meer vormt voor een aanspraak op plastisch-chirurgische behandeling die strekt tot correctie van die afwijking. Op grond hiervan ziet de Raad evenals de rechtbank geen aanleiding voor oprekking van het indicatievereiste "afwijkingen in het uiterlijk die gepaard gaan met aantoonbare functiestoornissen" in de door appellante voorgestane zin. Hierdoor zou immers psychisch lijden feitelijk weer als grondslag fungeren voor aanspraak op borstcorrectie. Nu de door appellante gestelde lichamelijke klachten geen rechtstreeks verband houden met de toestand van haar borsten, kan zij - nog daargelaten of hier sprake is van een afwijking in het uiterlijk - aan de hiervoor weergegeven bepaling geen aanspraak op borstcorrectie ontlenen.

Appellantes grief inzake onzorgvuldigheid van het onderzoek van gedaagdes medisch adviseur slaagt niet. In het licht van de indicatievereisten was, gezien haar klachten, een verdergaand onderzoek dan feitelijk heeft plaatsgevonden niet noodzakelijk.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende,

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2004.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Zfw | Zfw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x