Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Zfw
x
LJN:
x
AP8500
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-06-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vergoeding van magistraal bereide geneesmiddelen. Wettelijke rente en proceskostenveroordeling.
 
 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/3823 ZFW en 04/8 ZFW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

de erven van [betrokkene], gewoond hebbende te [woonplaats], appellanten,

en

de Stichting Centrale Zorgverzekeraars groep, Ziekenfonds, gevestigd te Tilburg, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellanten heeft mr. R.A.C.M. van Dijk, advocaat te Bergen op Zoom, op de bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 juni 2002, reg.nr. 01/421 ZFW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het door de Commissie voor bezwaarschriften van gedaagde genomen besluit op bezwaar van 31 januari 2001 ongegrond verklaard.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 15 december 2003 heeft gedaagde, onder intrekking van het besluit van 31 januari 2001, een nieuw besluit op bezwaar genomen en daarbij de motivering van het besluit van 31 januari 2001 gewijzigd.

Partijen hebben vervolgens door de Raad aan hen gestelde schriftelijke vragen beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 juni 2004. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door A.M. van Hasselt-Blom, met bijstand van mr. Van Dijk. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.J.H. Dams-van der Heijden, werkzaam bij gedaagde.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften verwijst de Raad, mede gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier wat de feiten betreft met het volgende.

Bij brief van 30 mei 2000 heeft [betrokkene] (hierna: betrokkene) bezwaar gemaakt tegen de berichten van vergoeding (besluiten) van 23 mei 2000 en 25 mei 2000, inhoudende de weigering apothekersnota's van 3 maart 2000 en 5 mei 2000 betreffende magistraal bereide geneesmiddelen te vergoeden.

Bij bericht van vergoeding van 27 juni 2000 heeft gedaagde geweigerd nota's van 23 mei 2000 (ten bedrage van f 353,05) en 9 juni 2000 (ten bedrage van f 4.972,12) te vergoeden.

Bij brief van 9 juli 2000 heeft betrokkene, onder verwijzing naar zijn brief van 30 mei 2000, tevens verwezen naar het bericht van vergoeding van 27 juni 2000.

Bij brief van 24 augustus 2000 heeft mr. Van Dijk, namens betrokkene, gerefereerd aan diens brieven van 30 mei 2000 en 9 juli 2000 en daarbij opgemerkt dat dit betekent dat betrokkene bezwaar maakt tegen de weigering het op de nota van 9 juni 2000 vermelde bedrag van f 4.972,12 te vergoeden.

Bij het besluit van 31 januari 2001 zijn, op grond van het vertrouwensbeginsel, de nota's van 3 maart 2000 en 5 mei 2000 alsnog - volledig - vergoed en is het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij brieven van 30 januari 2004 en 5 april 2004 heeft gedaagde de Raad medegedeeld dat, eveneens op grond van het vertrouwensbeginsel, ook de nota's van 23 mei 2000 en 9 juni 2000 alsnog zijn vergoed.

Bij brief van 29 januari 2004 heeft mr. Van Dijk aan de Raad medegedeeld dat hij "een algemeen bezwaar [heeft] ingediend tegen het weigeren van vergoedingen van nota's welke toezien op geneesmiddelen voortvloeiende uit de orthomoleculaire geneeskunde".

Uit een door mr. Van Dijk bij faxbericht van 4 juni 2004 aan de Raad gezonden overzicht, waarop gedaagde bij faxbericht van 7 juni 2004 heeft gereageerd, blijkt dat gedaagde een tiental nota's van 13 juli 2000 en later niet heeft vergoed.

De Raad overweegt allereerst, ambtshalve, het volgende.

Gelet op de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient de Raad het besluit van 15 december 2003 bij zijn beoordeling te betrekken.

Nu het besluit van 15 december 2003 geheel in de plaats is getreden van het - oorspronkelijke - besluit van 31 januari 2001 hebben appellanten, gelet op het hiervoor overwogene, geen belang meer bij een beoordeling door de Raad van het oordeel van de rechtbank over het besluit van 31 januari 2001. Het hoger beroep beroep dient daarom, wegens het vervallen van het procesbelang daarbij, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Aansluitend overweegt de Raad het volgende.

Bij de brief van 30 mei 2000 heeft betrokkene bezwaar gemaakt tegen de berichten van vergoeding van 23 mei 2000 en 25 mei 2000. De vervolgbrief van 9 juli 2000 merkt de Raad aan als bezwaarschrift tegen het bericht van vergoeding van 27 juni 2000. De op de brieven van 30 mei 2000 en 9 juli 2000 aansluitende brief van mr. Van Dijk van 24 augustus 2000 houdt, naar zijn duidelijke bewoordingen, geen nieuw bezwaarschrift in tegen latere berichten van vergoeding, maar is - voorzover hier van belang - slechts een herhaling van het door betrokkene reeds gemaakte bezwaar. Uit de hiervoor weergegeven - vaststaande - feiten blijkt dat alle nota's waarop de berichten van vergoeding van 23 mei 2000, 25 mei 2000 en 27 juni 2000 betrekking hebben, inmiddels door gedaagde zijn vergoed. Tegen de berichten van vergoeding waarbij vergoeding van de nota's van 13 juli 2000 en later is geweigerd, is geen bezwaar gemaakt, zodat dit geding daarop geen betrekking kan hebben.

Ter zitting hebben partijen verklaard het van belang te achten dat de Raad zich ten principale uitlaat over de vraag of magistraal bereide geneesmiddelen als hier aan de orde op grond van de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften voor vergoeding in aanmerking komen. Volgens vaste rechtspraak - ook - van de Raad zijn de voorzieningen van rechtsbescherming onder de Awb echter niet in het leven geroepen voor het, buiten een concreet en actueel geschil, verkrijgen van een principiële uitspraak als door partijen gewenst. De Raad kan die wens daarom niet honoreren.

Met betrekking tot het door appellanten gedane verzoek om veroordeling tot schadevergoeding (wettelijke rente) op grond van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb overweegt de Raad het volgende.

Gedaagde heeft ter zitting bevestigd dat de eerdere weigeringen om de nota's van 3 maart 2000, 5 mei 2000, 23 mei 2000 en 9 juni 2000 te vergoeden, onrechtmatig zijn. Dit brengt mee dat het beroep, voorzover dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 15 december 2003, gegrond moet worden verklaard en dat het besluit moet worden vernietigd. De Raad zal, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak voorzien en bepalen dat de desbetreffende nota's alsnog volledig worden vergoed (hetgeen gedaagde overigens reeds heeft gedaan). De Raad zal gedaagde tevens veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente terzake. De Raad ziet daarbij aanleiding de ingangsdatum van de wettelijke rente te stellen op de eerste dag van de maand, volgend op die waarin op de respectieve aanvragen is beslist. Dat betekent dat de wettelijke rente ter zake van de nota's van 3 maart 2000 en 5 mei 2000 ingaat op 1 juni 2000 en ter zake van de nota's van 23 mei 2000 en 9 juni 2000 op 1 juli 2000. De wettelijke rente is verschuldigd tot de dag van algehele voldoening.

De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellanten, begroot op € 644,-- in beroep en € 805,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voorzover dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 15 december 2003 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de nota's van 3 maart 2000, 5 mei 2000, 23 mei 2000 en 9 juni 2000 volledig worden vergoed;
Veroordeelt gedaagde tot betaling aan appellanten van de wettelijke rente overeenkomstig het in rubriek II van deze uitspraak vermelde;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.449,--;
Bepaalt dat gedaagde aan appellanten het betaalde griffierecht van in totaal € 109,23 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2004.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) I.D. Veldman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Zfw | Zfw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x