Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

 
JURISPRUDENTIE   ---   Zfw
x
LJN:
x
AR6851
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-11-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Medeverzekering van het kind van een zelfstandige: er is niet voldaan aan het "in de regel-criterium" en daarmee ook niet aan het kostwinnersvereiste.
 
 
 

 

 
Uitspraak 02/2112 ZFW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:


[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de onderlinge waarborgmaatschappij Nuts Zorgverzekeringen U.A., gevestigd te 's-Gravenhage, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 februari 2002, reg.nr. SBR 00/2245.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 augustus 2004, waar appellante is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. E. van der Marel, werkzaam bij gedaagde.




II. MOTIVERING


Voor een uitgebreidere weergave van de feiten en de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften verwijst de Raad, mede gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante is sedert november 1996 werkzaam als zelfstandig ondernemer. De Belastingdienst heeft in 1999 vastgesteld dat haar inkomen in de voor haar toepasselijke referteperiode 1996 en 1997 onder de ingevolge artikel 3d van de Ziekenfondswet (Zfw) geldende inkomensgrens ligt en dat zij als zelfstandige voldoet aan de voorwaarden voor verzekering ingevolge de Zfw in 2000. Ingaande 2000 is appellante bij gedaagde ingeschreven als van rechtswege (ook wel genoemd: verplicht) verzekerde ingevolge de Zfw. Zij is uitsluitend in dat jaar ingevolge de Zfw verzekerd geweest, aangezien haar inkomen sedert 1998 boven de inkomensgrens ligt.

Appellante en J.P. [partner] - met wie zij nadien, in juli 1998, is gehuwd - hebben in 1997 besloten hun relatie voort te zetten. Vaststaat dat het inkomen van [partner] niet was onderworpen aan verzekering ingevolge de Zfw.

In 2000 heeft appellante gedaagde verzocht de dochter van haar en [partner] in te schrijven als medeverzekerde krachtens de Zfw. Bij besluit op bezwaar van 19 oktober 2000 heeft gedaagde vastgehouden aan haar weigering de dochter als medeverzekerde aan te merken. Daaraan ligt ten grondslag dat appellante, gezien de verhouding tussen haar inkomen en dat van [partner], niet als kostwinner in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Zfw, in samenhang met artikel 6, eerste lid, van de - ministeriële - Regeling medeverzekering ziekenfondsverzekering (de Regeling) kan worden beschouwd.

In beroep tegen het besluit van 19 oktober 2000 heeft appellante vooropgesteld dat zij wel voldoet aan het kostwinnersvereiste, aangezien haar inkomen in de regel ten minste de helft heeft bedragen van het gezinsinkomen. Voorts heeft zij aangevoerd dat het in artikel 6, eerste lid, derde volzin, van de Regeling voor zelfstandigen voorgeschreven - fiscale - inkomensbegrip wegens strijd met de door haar genoemde nationale en internationale discriminatieverboden buiten toepassing dient te blijven, nu dat criterium voor zelfstandigen vaak - en ook in haar geval - nadeliger uitwerkt dan het voor de overige verzekerden geldende criterium (bruto-inkomen).

In het verweerschrift in eerste aanleg heeft gedaagde onder meer aangegeven dat bij de toetsing aan het kostwinnersvereiste de inkomenspositie van appellante over een aantal aan het beoordelingsjaar 2000 voorafgaande jaren (mede) in ogenschouw is genomen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en heeft daarbij haar in eerste aanleg aangevoerde gronden herhaald.

De Raad kan appellante niet volgen in haar standpunt dat zij wel voldoet aan het op grond van de toepasselijke regelgeving voor haar geldende kostwinnersvereiste. Hij overweegt in dat verband het volgende.

Met ingang van 2000 is de kring van personen die van rechtswege zijn opgenomen in de werknemersverzekering ingevolge de Zfw, uitgebreid met ondernemers voor wie, gelet op hun inkomen, toegang tot de sociale ziektekostenverzekering tegen een aan hun draagkracht gerelateerde premie is aangewezen. Daartoe is de verzekering ingevolge de Zfw opengesteld voor zelfstandigen met een inkomen tot een grens die materieel is afgestemd op de loongrens voor werknemers.

Indien is voldaan aan de uit de artikelen 3d en 4, tweede lid, van de Zfw, in samenhang met artikel 6 van de Regeling, voortvloeiende vereisten, zijn tevens de kinderen van zelfstandigen medeverzekerd. Dat is het geval, indien het inkomen van de zelfstandige, zoals dat voor zijn toegang tot de ziekenfondsverzekering door de Belastingdienst is vastgesteld (het verzekeringsplichtige inkomen), onder de inkomensgrens ligt en tevens voldoet aan het kostwinnersvereiste, dat wil zeggen: in de regel ten minste de helft bedraagt van het totale inkomen van die verzekerde en diens partner.

Ziekenfondsen hoeven bij de toetsing aan artikel 6 van de Regeling in geval van zelfstandigen niet zelf (de diverse bestanddelen van) het ondernemersinkomen na te gaan. Daarvoor kunnen zij blijkens artikel 6, eerste lid, derde volzin, van de Regeling, bezien in samenhang met de toelichting daarop, afgaan op het inkomen van de zelfstandige zoals dat jaarlijks door de Belastingdienst over de toepasselijke referteperiode bij de toetsing van de verzekering is vastgesteld.

Vervolgens moet het ziekenfonds - anders dan in de aangevallen uitspraak is overwogen - ingevolge artikel 6, eerste lid, eerste volzin, van de Regeling nog wel beoordelen of dat inkomen van de zelfstandige “in de regel” ten minste even hoog was als dat van de partner. Uit artikel 6, eerste lid, derde volzin, van de Regeling vloeit immers niet voort dat het “in de regel-criterium” niet van toepassing zou zijn op zelfstandigen. Deze beoordeling dient plaats te vinden overeenkomstig de bij de toepassing van het kostwinnersvereiste overigens bestendig gebruikelijke praktijk, te weten aan de hand van de inkomensverhouding zoals die tussen de partners heeft bestaan over een representatieve meerjarige periode voorafgaande aan het beoordelingsjaar.

De Raad stelt vast dat gedaagde, gezien het uit de gedingstukken naar voren komende beeld over de jaren vóór 2000, tot een juiste inschatting is gekomen van de inkomensverhouding zoals deze tussen appellante en [partner] in de regel heeft bestaan. Uit de aanwezige gegevens, waaronder belastingaangiftes van appellante en [partner], valt af te leiden dat appellante in 1996 nauwelijks inkomen had en dat haar belastbare inkomen achtereenvolgens in 1997, in het tweede halfjaar van 1998 en in 1999 lager was dan het inkomen van [partner]. Slechts over het (gehele) jaar 1998 was haar belastbare inkomen hoger dan het inkomen van [partner].

Appellante voldeed derhalve niet aan het "in de regel-criterium" en daarmee ook niet aan het kostwinnersvereiste.

De Raad kan appellante evenmin volgen in haar standpunt dat de beoordeling van het kostwinnerschap van de zelfstandige niet zou mogen plaatsvinden op basis van de in artikel 6 van de Regeling neergelegde methode van inkomensbepaling. In dat verband overweegt de Raad het volgende.

De regelgever hanteert bij de beoordeling van het kostwinnerschap van de zelfstandige hetzelfde inkomensbegrip als bij de bepaling van de verzekeringsplicht van de zelfstandige. Bij dit verzekeringsplichtige inkomen gaat het om het belastbare inkomen, zoals dat door de Belastingdienst over een referteperiode is vastgesteld. Uitgangspunt bij die keuze van de regelgever is geweest dat deze wijze van beoordeling de draagkracht van zelfstandigen het beste weergeeft, hetgeen recht doet aan het aan de Regeling ten grondslag liggende draagkrachtbeginsel. Ter toelichting op het gekozen systeem is aangegeven dat de beoordeling door de uitvoeringsorganen van de (mede)verzekering eenvoudig dient te zijn en gebaseerd op objectieve en betrouwbare gegevens, terwijl voorts door het dempende effect van een referteperiode het aantal wisselingen tussen de verplichte en de particuliere ziektekostenverzekering wordt beperkt.

Van strijdigheid van artikel 6, eerste lid, derde volzin, van de Regeling - waarin de regelgever aldus voor de bepaling van het inkomen bij de toepassing van het kostwinnersvereiste voor zelfstandigen aansluiting heeft gezocht bij de voor hun toelating tot de verplichte verzekering getroffen regeling - met een hogere regeling of enig algemeen rechtsbeginsel, is de Raad niet gebleken. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de systematiek en het oogmerk van de Regeling, kan niet worden gezegd dat zij in strijd is met de artikelen 3d en 4, tweede lid, van de Zfw en evenmin dat de regelgever van de hem toegekende bevoegdheid tot het stellen van nadere regels niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken op de wijze zoals hij dat heeft gedaan. Naar het oordeel van de Raad is voorts (bruto)loon uit dienstbetrekking niet zodanig onvergelijkbaar met het belastbare inkomen van de zelfstandige, dat dit verschil in het licht van de onderhavige doelstelling van de Regeling tot een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling leidt. Dat voor zelfstandigen bij de bepaling van het kostwinnerschap een in vergelijking tot werknemers afwijkend inkomensbegrip wordt gehanteerd, leidt derhalve niet tot het oordeel dat sprake is van - verboden - discriminatie.

Ten overvloede merkt de Raad nog op dat, anders dan gedaagde meent, bij de toepassing van de Regeling over het in het geding zijnde beoordelingsjaar niet bepalend is dat appellante, gezien de ontwikkeling van haar inkomen, sinds 1998 niet (meer) tot de doelgroep behoort van de ingevolge de Zfw te verzekeren zelfstandigen.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, met enige verbetering van de gronden, dient te worden bevestigd.

Nu de ongegrondverklaring van het beroep in stand blijft, is een veroordeling van gedaagde tot schadevergoeding niet aan de orde, zodat het daartoe strekkende verzoek van appellante moet worden afgewezen.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. M.I. ’t Hooft en mr. H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 november 2004.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) I.D. Veldman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Zfw | Zfw | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x